Artrose heup-knie
Naam Simone Koopmans
Artrose heup-knie
Algemeen
De klinische diagnose wordt gesteld door een arts op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek.
Daarnaast wordt in een aantal gevallen laboratoriumonderzoek en/of radiologisch onderzoek verricht: strikt
genomen zijn beide niet noodzakelijk.
Laboratoriumonderzoek laat in het geval van artrose een normale bloedbezinking zien, bij reumatoïde artritis
daarentegen niet. Het radiologisch onderzoek vindt vaak plaats op verzoek van de patiënt, ter bevestiging van
de diagnose. Voor röntgenonderzoek zijn diverse graderingssystemen. Het meest gangbare is het
scoringssysteem volgens Kellgren en Lawrence, dat is gebaseerd op de mate van kraakbeenverlies, de
aanwezigheid van osteofyten, de mate van sclerosering van het subchondrale bot en de vorming van cysten.
Er zijn vijf graden (graad 0 tot 4). Bij graad 2 of hoger is er sprake van artrose.
Algemeen klinisch beeld
Pijn is voor de meeste patiënten het belangrijkste symptoom van heup- en/of knieartrose. Deze pijn treedt
aanvankelijk op bij het starten van bewegen en bij langdurig belasten. De pijn neemt vaak toe naarmate de
dag vordert. In latere fasen is er ook pijn in rust en nachtelijke pijn. Stijfheid bij artrose is meestal
startstijfheid, die na enkele minuten verdwenen is. Aan de gewrichtsranden kunnen osteofyten worden
gepalpeerd, die gevoelig zijn bij druk. En er kan sprake zijn van een hydrops of een synovitis. Karakteristiek
voor artrose zijn crepitaties die worden gehoord en gevoeld en waarschijnlijk worden veroorzaakt door de
ruwe gewrichtsoppervlakken en de osteofyten aan de gewrichtsranden, die langs de ligamenten strijken.
Bij heupartrose zit de pijn meestal in de lies en aan de voor-laterale zijde van de heup, soms in het bovenbeen
of uitstralend naar het bovenbeen en de knie. Bij pijn in de heup is een aantal klinische factoren voorspellend
voor de ernst en de aanwezigheid van radiologische artrose. Deze factoren zijn: een leeftijd ouder dan 60 jaar,
meer dan drie maanden pijnklachten, geen verergering van de pijn bij zitten, pijn bij palpatie over het
ligamentum inguinale en een benig eindgevoel.
Naam Simone Koopmans
Artrose heup-knie
Algemeen
De klinische diagnose wordt gesteld door een arts op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek.
Daarnaast wordt in een aantal gevallen laboratoriumonderzoek en/of radiologisch onderzoek verricht: strikt
genomen zijn beide niet noodzakelijk.
Laboratoriumonderzoek laat in het geval van artrose een normale bloedbezinking zien, bij reumatoïde artritis
daarentegen niet. Het radiologisch onderzoek vindt vaak plaats op verzoek van de patiënt, ter bevestiging van
de diagnose. Voor röntgenonderzoek zijn diverse graderingssystemen. Het meest gangbare is het
scoringssysteem volgens Kellgren en Lawrence, dat is gebaseerd op de mate van kraakbeenverlies, de
aanwezigheid van osteofyten, de mate van sclerosering van het subchondrale bot en de vorming van cysten.
Er zijn vijf graden (graad 0 tot 4). Bij graad 2 of hoger is er sprake van artrose.
Algemeen klinisch beeld
Pijn is voor de meeste patiënten het belangrijkste symptoom van heup- en/of knieartrose. Deze pijn treedt
aanvankelijk op bij het starten van bewegen en bij langdurig belasten. De pijn neemt vaak toe naarmate de
dag vordert. In latere fasen is er ook pijn in rust en nachtelijke pijn. Stijfheid bij artrose is meestal
startstijfheid, die na enkele minuten verdwenen is. Aan de gewrichtsranden kunnen osteofyten worden
gepalpeerd, die gevoelig zijn bij druk. En er kan sprake zijn van een hydrops of een synovitis. Karakteristiek
voor artrose zijn crepitaties die worden gehoord en gevoeld en waarschijnlijk worden veroorzaakt door de
ruwe gewrichtsoppervlakken en de osteofyten aan de gewrichtsranden, die langs de ligamenten strijken.
Bij heupartrose zit de pijn meestal in de lies en aan de voor-laterale zijde van de heup, soms in het bovenbeen
of uitstralend naar het bovenbeen en de knie. Bij pijn in de heup is een aantal klinische factoren voorspellend
voor de ernst en de aanwezigheid van radiologische artrose. Deze factoren zijn: een leeftijd ouder dan 60 jaar,
meer dan drie maanden pijnklachten, geen verergering van de pijn bij zitten, pijn bij palpatie over het
ligamentum inguinale en een benig eindgevoel.