PGO1A Samenvatting toets blok 1
Boek: logisch en kritisch denken
Wat is een redenering (hoofdstuk 2)
Redenering: een constructie van argumenten waarbij men tot een standpunt of een
conclusie kan komen.
- Bestaat minimaal uit 2 onderdelen
Bv: ijs kaast zonlicht terug, daarom is het aan de polen erg koud.
Argumenten gebruik je om bepaalde standpunten kracht bij te zetten.
Signaalwoorden staan soms in een zin woorden of formuleringen, deze helpen je
duidelijk te maken dat er sprake is van een redenering.
Veelvoorkomende signaalwoorden:
Dus, derhalve, daarom, daaruit volgt.
Want, omdat, immers, aangezien.
Je kunt signaalwoorden ook gebruiken als een test, wanneer je wilt onderzoeken of
een uitspraak die uit meerdere delen bestaat een redenering is of niet.
Bv: Dit artikel kun je vertrouwen, het staat in een vakblad.
Dit artikel kun je vertrouwen, want het staat in een vakblad.
Het lijkt me verstandig om aantekeningen te maken, dit is belangrijke stof.
Het lijkt me verstandig om aantekeningen te maken, aangezien dit belangrijke
stof is.
Signaalwoorden kunnen je ook helpen om te bepalen wat het standpunt is en wat
het argument. Onthoud deze twee regels.
1. Dus, derhalve, daarom, daaruit volgt. Hierna komt altijd een standpunt.
2. Want, omdat, immers, aangezien. Hierna komt altijd een argument.
,Enkelvoudige en meervoudige argumentatie (hoofdstuk 3)
Enkelvoudige argumentatie: een redenering waarbij maar een argument wordt
gebruikt om een standpunt wordt te verdedigen.
A. Die diagnose deugt niet, want er zijn meetfouten gemaakt.
St: die diagnose deugt niet.
A: er zijn meetfouten gemaakt.
Meervoudige argumentatie: een redenering waarbij meerdere argumenten worden
gebruikt om een standpunt te verdedigen. De argumenten staat dan wel
onafhankelijk van elkaar
B. Die diagnose deugt niet, want er zijn meetfouten gemaakt en er zijn gegevens
weggeraakt.
St: die diagnose deugt niet.
A1: er zijn meetfouten gemaakt.
A2: er zijn gegevens kwijtgeraakt.
De argumenten zijn allebei onafhankelijk van elkaar.
Onderschikkende argumentatie
Een redenering waarbij een relatie tussen de argumenten onderling is.
C. De diagnose deugt niet, want er zijn meetfouten gemaakt. De thermometer
functioneerde namelijk niet goed.
St: de diagnose deugt niet.
A1: er zijn meetfouten gemaakt.
A1A1: de thermometer functioneerde namelijk niet goed.
, Complexe argumentatie
Er is sprake van een combinatie van onderschikkende, enkelvoudige en
meervoudige argumentatie. Er zijn eindeloos veel combinaties mogelijk.
D. Ik voel er niet voor samen te werken met Paul, want ik vind hem niet
betrouwbaar. Hij heeft vroeger eens fraude gepleegd en hij komt zijn beloftes
niet na.
St: ik voel er niet voor om samen te werken met Paul.
A1: Ik vind hem niet betrouwbaar.
A1A1: Hij heeft vroeger eens fraude gepleegd.
A2A1: Hij komt zijn beloftes niet na
Contra-argumenten
Dit zijn argumenten die een standpunt aanvallen.
E. Paul is geen sympathiek mens. Toch denk ik dat het een goed idee is om met
hem samen te werken. Hij heeft namelijk verstand van zaken doen.
St: Het is een goed idee om met Paul samen te werken.
A1: Paul heeft verstand van zaken doen.
C1: Paul is geen sympathiek mens.
Boek: logisch en kritisch denken
Wat is een redenering (hoofdstuk 2)
Redenering: een constructie van argumenten waarbij men tot een standpunt of een
conclusie kan komen.
- Bestaat minimaal uit 2 onderdelen
Bv: ijs kaast zonlicht terug, daarom is het aan de polen erg koud.
Argumenten gebruik je om bepaalde standpunten kracht bij te zetten.
Signaalwoorden staan soms in een zin woorden of formuleringen, deze helpen je
duidelijk te maken dat er sprake is van een redenering.
Veelvoorkomende signaalwoorden:
Dus, derhalve, daarom, daaruit volgt.
Want, omdat, immers, aangezien.
Je kunt signaalwoorden ook gebruiken als een test, wanneer je wilt onderzoeken of
een uitspraak die uit meerdere delen bestaat een redenering is of niet.
Bv: Dit artikel kun je vertrouwen, het staat in een vakblad.
Dit artikel kun je vertrouwen, want het staat in een vakblad.
Het lijkt me verstandig om aantekeningen te maken, dit is belangrijke stof.
Het lijkt me verstandig om aantekeningen te maken, aangezien dit belangrijke
stof is.
Signaalwoorden kunnen je ook helpen om te bepalen wat het standpunt is en wat
het argument. Onthoud deze twee regels.
1. Dus, derhalve, daarom, daaruit volgt. Hierna komt altijd een standpunt.
2. Want, omdat, immers, aangezien. Hierna komt altijd een argument.
,Enkelvoudige en meervoudige argumentatie (hoofdstuk 3)
Enkelvoudige argumentatie: een redenering waarbij maar een argument wordt
gebruikt om een standpunt wordt te verdedigen.
A. Die diagnose deugt niet, want er zijn meetfouten gemaakt.
St: die diagnose deugt niet.
A: er zijn meetfouten gemaakt.
Meervoudige argumentatie: een redenering waarbij meerdere argumenten worden
gebruikt om een standpunt te verdedigen. De argumenten staat dan wel
onafhankelijk van elkaar
B. Die diagnose deugt niet, want er zijn meetfouten gemaakt en er zijn gegevens
weggeraakt.
St: die diagnose deugt niet.
A1: er zijn meetfouten gemaakt.
A2: er zijn gegevens kwijtgeraakt.
De argumenten zijn allebei onafhankelijk van elkaar.
Onderschikkende argumentatie
Een redenering waarbij een relatie tussen de argumenten onderling is.
C. De diagnose deugt niet, want er zijn meetfouten gemaakt. De thermometer
functioneerde namelijk niet goed.
St: de diagnose deugt niet.
A1: er zijn meetfouten gemaakt.
A1A1: de thermometer functioneerde namelijk niet goed.
, Complexe argumentatie
Er is sprake van een combinatie van onderschikkende, enkelvoudige en
meervoudige argumentatie. Er zijn eindeloos veel combinaties mogelijk.
D. Ik voel er niet voor samen te werken met Paul, want ik vind hem niet
betrouwbaar. Hij heeft vroeger eens fraude gepleegd en hij komt zijn beloftes
niet na.
St: ik voel er niet voor om samen te werken met Paul.
A1: Ik vind hem niet betrouwbaar.
A1A1: Hij heeft vroeger eens fraude gepleegd.
A2A1: Hij komt zijn beloftes niet na
Contra-argumenten
Dit zijn argumenten die een standpunt aanvallen.
E. Paul is geen sympathiek mens. Toch denk ik dat het een goed idee is om met
hem samen te werken. Hij heeft namelijk verstand van zaken doen.
St: Het is een goed idee om met Paul samen te werken.
A1: Paul heeft verstand van zaken doen.
C1: Paul is geen sympathiek mens.