TESTTHEORIE
HC1 26-10
Basiskennis statistiek – descriptieve statistiek
In deze cursus alleen delen door N ipv N-1
Afwijkingsscore = deviatiescore
Standaarddeviatie is wortel van variantie
Sum of squares: som van de kwadraten van de deviatiescore
Standaarddeviatie: hoeveel mensen gemiddeld afwijken van het gemiddelde.
Standaardscores: z-score
1
,z-score wordt afgeleid van de deviatiescore.
Als je de z-scores optelt komt je uit op 0, en als je het gemiddelde neemt is het ook
0. De standaarddeviatie is altijd 1.
Relatie tussen meerdere variabelen:
Covariantie: de mate waarin twee variabelen covarieren. Als je bovengemiddeld
scoort op een variabele, scoor je ook hoog op de andere variabele.
Correlatie: gestandaardiseerde covariantie. Tussen -1 en 1. rXY = correlatie tussen x
en y.
Deze twee komen in artikelen vaak voor in een variantie-covariantie matrix of
correlatiematrix tegen.
HC 4 (WEEK 2) – 5-11
Betrouwbaarheidsinterval
95% betrouwbaarheidsinterval:
2
, [gem. X – 1.96 x standaardfout ; gem. X + 1.96 x standaardfout]
Standaardfout = st.dev : wortel vd steekproef N.
Betrouwbaarheid: mate waarin testscores varieren wanneer (1) de test twee keer of
meer (2) onder gelijkblijvende condities aan dezelfde persoon wordt voorgelegd.
De toevallige invloeden bepalen betrouwbaarheid, want die variëren over
onafhankelijke replicaties, en het systematische deel niet.
Testscore = systematische deel + toevallige invloeden X= T+E
In het boek: Xo = Xt + Xe
(afbeelding)
Rood = getallen die je niet ziet in de praktijk, zwart = zie je wel in de praktijk
(afbeelding)
Eij = Xij - Ti
Gemiddelde van alle scores = betrouwbare score over een zeer groot aantal
replicaties. Dat is dus ook T. Alles wat daarboven of onder ligt is de toevallige
meetfout / invloeden. Meetfout is dus gemiddeld ook 0.
1. Meetfout is gemiddeld 0.
2. Standaard deviatie van de meetfout moet zo klein mogelijk zijn. (zie video)
3. Variantie vd meetfout = variantie vd testscore (over veel replicaties), dus
standaarddeviatie vd meetfout = standaarddeviatie vd testscore.
Aanname 1: Ook bij 1 testafname bij meerdere personen gaan we er vanuit dat de
gemiddelde meetfout 0 is. De gemiddelde betrouwbare score is gelijk aan de
gemiddelde score.
Aanname 2: correlatie van de meetfout E met iedere andere willekeurige variabele Y
0 is. Dus rEY = 0. Gevolg hiervan is rET = 0. De meetfout is dus echt willekeurig (ruis).
Hieruit volgt: variantie van X = variantie T (betrouwbare score) + Variantie E
(meetfout)
Dus: RXX (betrouwbaarheid) = variantie T / variantie X. RXX ligt tussen 0 en 1.
Betrouwbaarheid vuistregels:
Goed voldoende onvoldoende
Individuen: (belangrijk) >.9 0.8-0.9 <.8
Individuen: (minder belangrijk) >.8 0.7-0.8 <.7
Groepsniveau: >.7 0.6-0.7 <.6
3
HC1 26-10
Basiskennis statistiek – descriptieve statistiek
In deze cursus alleen delen door N ipv N-1
Afwijkingsscore = deviatiescore
Standaarddeviatie is wortel van variantie
Sum of squares: som van de kwadraten van de deviatiescore
Standaarddeviatie: hoeveel mensen gemiddeld afwijken van het gemiddelde.
Standaardscores: z-score
1
,z-score wordt afgeleid van de deviatiescore.
Als je de z-scores optelt komt je uit op 0, en als je het gemiddelde neemt is het ook
0. De standaarddeviatie is altijd 1.
Relatie tussen meerdere variabelen:
Covariantie: de mate waarin twee variabelen covarieren. Als je bovengemiddeld
scoort op een variabele, scoor je ook hoog op de andere variabele.
Correlatie: gestandaardiseerde covariantie. Tussen -1 en 1. rXY = correlatie tussen x
en y.
Deze twee komen in artikelen vaak voor in een variantie-covariantie matrix of
correlatiematrix tegen.
HC 4 (WEEK 2) – 5-11
Betrouwbaarheidsinterval
95% betrouwbaarheidsinterval:
2
, [gem. X – 1.96 x standaardfout ; gem. X + 1.96 x standaardfout]
Standaardfout = st.dev : wortel vd steekproef N.
Betrouwbaarheid: mate waarin testscores varieren wanneer (1) de test twee keer of
meer (2) onder gelijkblijvende condities aan dezelfde persoon wordt voorgelegd.
De toevallige invloeden bepalen betrouwbaarheid, want die variëren over
onafhankelijke replicaties, en het systematische deel niet.
Testscore = systematische deel + toevallige invloeden X= T+E
In het boek: Xo = Xt + Xe
(afbeelding)
Rood = getallen die je niet ziet in de praktijk, zwart = zie je wel in de praktijk
(afbeelding)
Eij = Xij - Ti
Gemiddelde van alle scores = betrouwbare score over een zeer groot aantal
replicaties. Dat is dus ook T. Alles wat daarboven of onder ligt is de toevallige
meetfout / invloeden. Meetfout is dus gemiddeld ook 0.
1. Meetfout is gemiddeld 0.
2. Standaard deviatie van de meetfout moet zo klein mogelijk zijn. (zie video)
3. Variantie vd meetfout = variantie vd testscore (over veel replicaties), dus
standaarddeviatie vd meetfout = standaarddeviatie vd testscore.
Aanname 1: Ook bij 1 testafname bij meerdere personen gaan we er vanuit dat de
gemiddelde meetfout 0 is. De gemiddelde betrouwbare score is gelijk aan de
gemiddelde score.
Aanname 2: correlatie van de meetfout E met iedere andere willekeurige variabele Y
0 is. Dus rEY = 0. Gevolg hiervan is rET = 0. De meetfout is dus echt willekeurig (ruis).
Hieruit volgt: variantie van X = variantie T (betrouwbare score) + Variantie E
(meetfout)
Dus: RXX (betrouwbaarheid) = variantie T / variantie X. RXX ligt tussen 0 en 1.
Betrouwbaarheid vuistregels:
Goed voldoende onvoldoende
Individuen: (belangrijk) >.9 0.8-0.9 <.8
Individuen: (minder belangrijk) >.8 0.7-0.8 <.7
Groepsniveau: >.7 0.6-0.7 <.6
3