Onderzoek hersenzenuwen 1, 3/4/6, 5/7, (9/10), 11, 12
Vertel de patiënt dat je het onderzoek van hersenzenuwen gaat uitvoeren; dit zijn zenuwen in het
gezicht.
Vertel de patiënt dat hij/zij zich niet hoeft uit te kleden en op een stoel tegenover de arts kan gaan
zitten.
Eerst wordt de N1 getest. Zeg hardop dat je N1; de olfactorius gaat testen, voor de reukfunctie. Bij
disfunctie is er sprake van een verminderde geur en smaak.
- Vraag aan de patiënt of er de laatste tijd veranderingen zijn in reuk of smaak
- Vraag de patiënt de ogen dicht te doen.
- Houd onder de neus achtereenvolgens verschillende geurende stoffen.
- Vraag bij elke geur of de patiënt iets ruikt
- Zo ja, vraag wat de patiënt precies ruikt Belangrijk: dit hoeft niet juist te zijn. Het helpt
met het bepalen op de patiënt werkelijk iets heeft geroken.
Vervolgens wordt de N3/N4/N6 getest. Zeg hardop dat je de (N2: opticus) N3; oculomotorius, N4:
trochlearis en N6; abducens gaat testen. Deze zenuwen zijn belangrijk voor de bewegingen van het
oog en het zicht.
- Laat de patiënt in de verte kijken
- Inspecteer eerst de pupillen. Let hierbij op:
o Grootte
o Vorm
o Symmetrie
- Pupilreactie test;
o Plaats een hand tussen de ogen van de patiënt en laat naar een vast punt in de verte
kijken.
o Schijn 2x met het lampje van lateraal op het oog; test van
Let op de directe en daarna op de indirecte pupilreactie
Vergelijk links en rechts; zeg hardop wat de waarnemingen zijn
- Convergentie test:
o laat de patiënt naar een vast punt in de verte kijken. Houd een voorwerp op 30 cm
afstand voor het gezicht van de patiënt.
o Laat de patiënt nu focussen op het voorwerp. (doe dit 2 keer)
Let op de convergentie reactie (kleiner worden van de pupil)
Vergelijk links en rechts
- Ptosis test:
o inspecteer de lidspleet en mate van afdekken van iris door bovenooglid.
- Oogvolgbewegingen test;
o houd 1 vinger ongeveer op 30 cm afstand van het gezicht van de patiënt.
o Laat de patiënt de vinger met de blik volgen zonder het hoofd te bewegen
vraag de patiënten aan te geven wanneer deze dubbelziet
o Beweeg de vinger rustig en vloeiend steeds vanuit het middelpunt heen en terug in
de richtingen van een 8-puntige ster, houd op verste punt even stil
Maak de kijkhoek niet groter dan 30 graden
o Benoem de volgende punten:
Vloeiend verloop
Parallel
Nystagmus (specificeer afwijkingen naar de richting van de oogbewegingen)
Vertel de patiënt dat je het onderzoek van hersenzenuwen gaat uitvoeren; dit zijn zenuwen in het
gezicht.
Vertel de patiënt dat hij/zij zich niet hoeft uit te kleden en op een stoel tegenover de arts kan gaan
zitten.
Eerst wordt de N1 getest. Zeg hardop dat je N1; de olfactorius gaat testen, voor de reukfunctie. Bij
disfunctie is er sprake van een verminderde geur en smaak.
- Vraag aan de patiënt of er de laatste tijd veranderingen zijn in reuk of smaak
- Vraag de patiënt de ogen dicht te doen.
- Houd onder de neus achtereenvolgens verschillende geurende stoffen.
- Vraag bij elke geur of de patiënt iets ruikt
- Zo ja, vraag wat de patiënt precies ruikt Belangrijk: dit hoeft niet juist te zijn. Het helpt
met het bepalen op de patiënt werkelijk iets heeft geroken.
Vervolgens wordt de N3/N4/N6 getest. Zeg hardop dat je de (N2: opticus) N3; oculomotorius, N4:
trochlearis en N6; abducens gaat testen. Deze zenuwen zijn belangrijk voor de bewegingen van het
oog en het zicht.
- Laat de patiënt in de verte kijken
- Inspecteer eerst de pupillen. Let hierbij op:
o Grootte
o Vorm
o Symmetrie
- Pupilreactie test;
o Plaats een hand tussen de ogen van de patiënt en laat naar een vast punt in de verte
kijken.
o Schijn 2x met het lampje van lateraal op het oog; test van
Let op de directe en daarna op de indirecte pupilreactie
Vergelijk links en rechts; zeg hardop wat de waarnemingen zijn
- Convergentie test:
o laat de patiënt naar een vast punt in de verte kijken. Houd een voorwerp op 30 cm
afstand voor het gezicht van de patiënt.
o Laat de patiënt nu focussen op het voorwerp. (doe dit 2 keer)
Let op de convergentie reactie (kleiner worden van de pupil)
Vergelijk links en rechts
- Ptosis test:
o inspecteer de lidspleet en mate van afdekken van iris door bovenooglid.
- Oogvolgbewegingen test;
o houd 1 vinger ongeveer op 30 cm afstand van het gezicht van de patiënt.
o Laat de patiënt de vinger met de blik volgen zonder het hoofd te bewegen
vraag de patiënten aan te geven wanneer deze dubbelziet
o Beweeg de vinger rustig en vloeiend steeds vanuit het middelpunt heen en terug in
de richtingen van een 8-puntige ster, houd op verste punt even stil
Maak de kijkhoek niet groter dan 30 graden
o Benoem de volgende punten:
Vloeiend verloop
Parallel
Nystagmus (specificeer afwijkingen naar de richting van de oogbewegingen)