Hoofdstuk 6 "Voedings- en eetstoornissen bij jonge kinderen". .2
Hoofdstuk 7 'Gehechtheid en hechtingsstoornissen'.................5
Hoofdstuk 8 'Autismespectrumstoornissen'.............................11
Hoofdstuk 11 'Zelfregulatie en de aandachtstekortstoornis met
hyperactiviteit (ADHD)'............................................................21
Hoofdstuk 13 'Angst en angststoornissen'...............................27
Hoofdstuk 15 "Eetstoornissen"................................................31
Hoofdstuk 16 'Middelengebruik en middelenmisbruik'.............35
1
,Hoofdstuk 6 "Voedings- en eetstoornissen bij jonge
kinderen"
6.1. Inleiding
De fysiologische zelfregulatie: De eerste ontwikkelingsopgaven van een kind, o.a. slapen,
eten en het aanleren van eetritmen en eetrituelen
Voedingsstoornissen verwijzen naar het gevoed worden door iemand. Dit kan direct na de
geboorte ontstaan en een zware wissel trekken op ouders en de relatie met hun kind.
Eetstoornissen verwijzen naar wat het kind zelf doet: iets opeten.
6.2. De normale ontwikkeling van voedingspatronen bij baby's en jonge kinderen
Eén jaar na de geboorte wegen baby’s 3 keer meer dan de hun eerste gewicht.
In dat jaar gaan baby’s de tamelijk constante kenmerken van één voedingsbron
(borstvoeding, fles) inruilen voor andere voedingsbronnen met uiteenlopende kenmerken.
Deze ontwikkeling neemt in totaal ongeveer 3 jaar in beslag.
Dit hangt af van de cultuur waarin een kind opgroeit.
De ontwikkeling kunnen we in drie fasen indelen:
Fase 1. De zoog- en zuigfase
De lengte van de zoogfase wordt door de moeder bepaald en beïnvloed door culturele
opvattingen. Borstvoeding bestaat voor 88% uit water en voor 3% / 4% uit vet.
De melk van de eerste dagen wordt colostrum genoemd. Colostrum bevat voornamelijk
antistoffen die baby’s beschermen tegen bacteriën, virussen en darmparasieten.
Voedingsreflexen:
1. De rootingreflex: Als je de wang van baby’s aanraakt, draaien ze zich naar de prikkel toe.
2. De zuigreflex: Als je iets voor in de mond van baby’s stopt, gaan ze zuigen, en bij het
verkrijgen van de vloeistof, slikken.
3. De bijtreflex: Een ritmische beweging van de onderkaak van baby’s waarmee ze de melk
uit de tepel of speen drukken.
4. De wurgreflex of kokhalsreflex: Een beschermingsreactie die voorkomt dat baby’s zich
verslikken, bijvoorbeeld doordat er melk in hun luchtpijp loopt.
Moeders hebben een toeschietreflex. Dit houdt in dat hun borsten melk produceren als de
baby zuigt, en al na elke dagen kan de melk ‘toeschieten’ als de moeder haar baby (of een
willekeurige baby) hoort huilen, of als ze alleen maar aan haar kind denkt.
Zuigen:
- Zorgt voor de noodzakelijke calorie-inname.
- Geeft zowel de baby als de zogende moeder een kalmerend en veilig gevoel.
De hormonen prolactine (voor de productie van melk) en oxytocine (voor de toeschietreflex)
bevorderen het ‘moederen’ en hebben een rustgevend effect.
Deze hormonen komen via de moedermelk bij de baby terecht. Dit zorgt ervoor dat de baby
hier ook van profiteert.
De voordelen van borstvoeding en flesvoeding (blz. 110)
Borstvoeding:
- Moedermelk voldoet het best aan de voedingswaarden en de energie waar een baby
behoefte aan heeft
- Moedermelk is steriel
- Moedermelk beschermt tegen allergieën en infecties.
- Moedermelk verlaagt de kans op onder meer wiegendood, eczeem, overgewicht, astma en
suikerziekte.
2
, - Borstvoeding vermindert bij de moeder de kans op borst- en eierstokkanker.
- Borstvoeding verkleint de kans op een post-partumdepressie (zie 4.3.2).
- Borstvoeding vermindert de kans op inwendige bloedingen en zorgt ervoor dat de
baarmoeder sneller de normale afmetingen aanneemt.
- Borstvoeding stelt de baby zelf in staat de omvang van zijn maaltijd te reguleren.
- Borstgevoede baby’s maken met meer smaken kennis dan flesgevoede.
- Borstvoeding is goedkoper en minder belastend voor het milieu dan flesvoeding.
Flesvoeding:
- Werkende moeders kunnen werk en moederschap gemakkelijker combineren.
- Vaders kunnen ook de fles geven. Dat betrekt hen meer bij de verzorging van hun kind, wat
goed is voor de onderlinge band
- Flesvoeding is veiliger dan door middelengebruik (alcohol, drugs en sommige medicijnen)
‘vervuilde’ moedermelk.
- Flesvoeding is een uitkomst voor moeders die onvoldoende melk produceren en/of onzeker
zijn over de borstvoeding, en voor moeders voor wie de borst geven te pijnlijk is.
Fase 2. De overgangsfase
Naast de borstvoeding, maakt het kind ook kennis met ander voedsel.
De overgangsfase loopt van de leeftijd van 5 à 6 maanden tot 12 maanden.
- In vijf maanden is het spijsverteringssysteem van een kind zo ver gerijpt, dat het ander
voedsel kan verteren.
- Er past meer in zijn maag, waardoor de pauzes tussen de maaltijden groter kunnen zijn.
- De rooting-, zuig- en bijtreflex verdwijnen; het kind kan zijn zuiggedrag bewust oproepen.
Verslikken is nu ook mogelijk, omdat de kokhalsreflex ook verdwijnt.
3. De fase waarin kinderen met hun ouders mee-eten.
Tussen de eerste en tweede verjaardag.
Factoren die een rol spelen bij het leren eten:
1. Voedselneofobie.
Baby’s accepteren het voedsel dat hun ouders hun aanbieden zonder problemen, maar op
het moment dat ze kunnen wegkruipen of weglopen van hun ouders ontstaat
voedselneofobie: angst voor nieuw voedsel.
Voedselneofobie kent een scherpe toename als kinderen tussen de 1,5 - 2 jaar oud zijn, en
neemt na het 6e jaar geleidelijk af. Het kan voor de ouders vreemde vormen aannemen:
vormverschil, kleurverschil en structuurverschil.
Twee manieren voor kinderen om over hun voedselneofobie heen te groeien:
Ten eerste: zien eten, doet eten.
Ten tweede: bied nieuw voedsel herhaaldelijk aan.
2. Traag, kieskeurig eten.
- Proeft zowel bekend als onbekend voedsel, maar eet traag en te kleine hoeveelheden.
- Wat pickyeatersdoen, is voedsel ‘uitpluizen’.
- Klagen vooral over de structuur van voedsel: glibberig, hard etc.
3. De voedingsstijlen van de ouders.
Ouders passen hun voedingsstijl aan, aan de manier waarop ze de problemen van hun kind
waarnemen.
Bij de autoritaire voedingsstijl worden twee aspecten onderscheiden: het dwingen om
bepaald (gezond) voedsel te eten, het beperken van de inname van ander (ongezond)
voedsel.
3