Opdracht 2 (week 2), werkgroep Goederenrecht B2
Onderwerpen:
Verkrijging en verlies van goederen (waaronder verjaring)
Overdracht: o.a. fiduciaverbod, levering, onoverdraagbaarheid
Levering met tussenpersonen
Levering bij voorbaat
Derdenbescherming
Literatuur:
Pitlo: nrs. 90-99 (hoofdstuk 3), nrs. 186-328a (hoofdstuk 6; de paragrafen 6.1, 6.2 en 6.5
heeft u al moeten bestuderen voor Goederenrecht B1), nrs. 329-350 (hoofdstuk 7)
Arresten:
HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 (WUH/Onex)
HR 24 maart 1995, NJ 1996/158 m.nt. WMK (Kuikenbroederij)
HR 3 mei 1996, NJ 1996, 501 (Huizing/Ned. Stichting voor andere woonvormen)
HR 14 juli 2000, NJ 2001/685 (Van den Mosselaar/Lagero)
HR 8 december 2000, NJ 2001/350 (Eelder Woningbouw/Van Kammen)
HR 17 januari 2003, NJ 2004/281 m.nt. HJS (Oryx/Van Eesteren)
HR 10 oktober 2008, NJ 2009, 1, m.nt. Verstijlen (Duijf/Bolt)
HR 21 maart 2014, NJ 2015/167, m.n.t. H.J. Snijders (Coface/Intergamma)
1
,CASUS 1
Verkrijging en verlies van goederen (waaronder verjaring)
Arrest Huizing/Ned. Stichting voor andere woonvormen:
Boom staat op erf van vrouw, maar binnen twee meter van de grens. Boom mocht er niet staan
volgens de buurman (art. 5:42 BW). HR: meer nodig dan dat de boom er al heel lang staat.
Alleen argument van verjaring dat erfdienstbaarheid geldig is, is onjuist. Voor verjaring moet
je bezitter zijn en dat kon niet zomaar aangenomen worden. Zij beweerde bezitter te zijn van
de erfdienstbaarheid. Als dat maar lang genoeg duurt wordt dat een recht op erfdienstbaarheid.
Zij beweerde dat ze daarom een inbreuk mocht maken op het burenrecht. HR: het moest
duidelijk en ondubbelzinnig zijn dat zij een recht op erfdienstbaarheid heeft. Dat de boom er
al sinds mensenheugenis staat is onvoldoende argument. Voortdurend en zichtbaar bezit.
Verjaring (art. 3:99 BW):
- Object is relevant voor de termijn (3 jaar of 10 jaar).
- Goedertrouw.
- Onafgebroken bezit
In casu termijn 10 jaar, want erfdienstbaarheid (registergoed). Kan mevrouw goedertrouw
zijn? Voor erfdienstbaarheid is vestiging of verjaring nodig. Ze dacht dat ie gevestigd was.
Voor vestiging is nodig inschrijving in openbare register. Maar ze beroept zich op verjaring.
Dit betekent dat er geen akte is ingeschreven. Dus geen te goeder trouw. Verjaring op basis
van art. 3:99 BW loopt spaak.
Stel wel goeder trouw, maar rechter neemt bezit van een erfdienstbaarheid niet snel aan.
Omweg is art. 3:105 lid 1 jo 3:106 BW. De vordering van art. 3:106 BW moet zijn verjaard.
Termijn begint te lopen daags na de inbreuk. Verjaringstermijn van 20 jaar. Mevrouw moet
bewijzen dat meer dan 20 jaar is verstreken. Je hoeft hiervoor niet te goeder trouw te zijn.
Hier is onafgebroken bezit niet nodig. Als je al één dag bezitter bent, geldt het ook al. Bezit
van erfdienstbaarheid wordt niet snel aangenomen, zoals net al bij art. 3:99 BW bleek. Nu
zelfde probleem.
Vorige eigenaar door verjaring erfdienstbaarheid. Erfdienstbaarheid is een afhankelijk recht
(huis vrouw). Op huis buurman ligt een beperkt recht. Als een van de twee erven over gaat, is
dit een consequentie. Maar in achterhoofd houdend, dit staat niet in een akte omdat het gaat
om verjaring.
NB. Onderhoud van de boom heeft weinig invloed.
Vraag 1
Er wordt in de literatuur wel een onderscheid gemaakt tussen ‘derivatieve verkrijging’ en
‘originaire verkrijging’. Wat is originaire verkrijging? Geef drie voorbeelden van originaire
verkrijging.
Derivatieve verkrijging betekent dat er een directe rechtsvoorganger is, zoals bij overdracht,
onteigening (art. 3:80 lid 3 BW) en algemene titel (erfopvolging, boedelmenging art. 1:94 lid
1 BW, fusie art. 2:308 BW en splitsing art. 2:334a BW).
Van een originaire verkrijging is sprake als een persoon zijn rechtspositie niet ontleent aan een
ander, doch een nieuw recht op een goed verkrijgt. Het originair verkregen recht is vrijwel
altijd ‘schoon’, op het verkregen goed rusten meestal geen beperkte rechten (zie art. 3:81 lid 2
2
, sub a BW). Voorbeelden van originaire verkrijgingen zijn verjaring, schatvinding en
zaaksvorming.
Verder nog: inbezitneming, vinderschap, natrekking, vermenging en vruchttrekking.
NB. Algemene titel gebeurt van rechtswege. Dus is inclusief overgang van schulden.
Overdracht is alleen recht en geen schuld.
Vraag 2
Frederik heeft EUR 20.000 geleend van Cash BV. Ter zekerheid tot terugbetaling heeft
Frederik ten gunste van Cash BV een stil pandrecht gevestigd op zijn auto. Cash BV cedeert
(overgeven/afstaan) de vordering op Frederik rechtsgeldig aan de Rabobank. Vervolgens
betaalt Frederik het bedrag van de lening (EUR 20.000) plus bijbehorende renteverplichtingen
aan de Rabobank. Wie is na betaling pandhouder: de cedent, de cessionaris of geen van
beiden?
Cedent: degene die een vordering op naam overdraagt aan een ander.
Cessionaris: de verkrijger.
Fr is debiteur en C BV is crediteur. Sprake van een geldlening. C BV heeft een vordering. C
BV heeft een pandrecht op de auto en Fr heeft eigendom van auto.
C BV cedeert (door koop en levering) aan Rabo. Rabo verkrijgt vorderingsrecht en is nu
schuldeiser van Fr (op grond van art. 3:82 BW). Pandrecht is afhankelijk recht en is
afhankelijk van de vordering.
Fr betaalt aan Rabo.
Indien het geleende geld afbetaald word, is er geen sprake meer van een pandrecht. Het
pandrecht is teniet gegaan (art. 3:81 lid 2 sub b BW).
NB. Cessie geschiedt door middel van art. 3:94 BW
- Lid 1 openbare cessie: akte en mededeling
- Lid 3 stille cessie: authentieke akte of geregistreerde onderhandse akte zonder
mededeling
Bezitsverschaffing (art. 90 lid 1 BW):
- Art. 3:114 BW: bezitsoverdracht
- Art. 3:115 BW: consensueel
o Sub a: cp bezitter
o Sub b: bm kan ook door houder
o Sub c: lm kan ook door houder
Afspraak
Mededeling
Erkenning
Vraag 3
Ellen heeft een huis met tuin gekocht in Hoenderloo. Vervolgens is het huis rechtsgeldig via
de volgens de wet geldende vereisten aan Ellen geleverd. Achter in de tuin staat een oude eik.
Deze eik is in 1908 door de toenmalige eigenaren van het terrein geplant. De eik staat in de
tuin van Ellen precies naast de grensafscheiding met het perceel van buurman Eugene. Een
week na de verhuizing van Ellen belt Eugene bij haar aan, en stelt zich op het standpunt dat de
eik, gezien art. 5:42 BW en de afwezigheid van een daarvan afwijkende plaatselijke
verordening of gewoonte, door Ellen moet worden verwijderd.
3
Onderwerpen:
Verkrijging en verlies van goederen (waaronder verjaring)
Overdracht: o.a. fiduciaverbod, levering, onoverdraagbaarheid
Levering met tussenpersonen
Levering bij voorbaat
Derdenbescherming
Literatuur:
Pitlo: nrs. 90-99 (hoofdstuk 3), nrs. 186-328a (hoofdstuk 6; de paragrafen 6.1, 6.2 en 6.5
heeft u al moeten bestuderen voor Goederenrecht B1), nrs. 329-350 (hoofdstuk 7)
Arresten:
HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 (WUH/Onex)
HR 24 maart 1995, NJ 1996/158 m.nt. WMK (Kuikenbroederij)
HR 3 mei 1996, NJ 1996, 501 (Huizing/Ned. Stichting voor andere woonvormen)
HR 14 juli 2000, NJ 2001/685 (Van den Mosselaar/Lagero)
HR 8 december 2000, NJ 2001/350 (Eelder Woningbouw/Van Kammen)
HR 17 januari 2003, NJ 2004/281 m.nt. HJS (Oryx/Van Eesteren)
HR 10 oktober 2008, NJ 2009, 1, m.nt. Verstijlen (Duijf/Bolt)
HR 21 maart 2014, NJ 2015/167, m.n.t. H.J. Snijders (Coface/Intergamma)
1
,CASUS 1
Verkrijging en verlies van goederen (waaronder verjaring)
Arrest Huizing/Ned. Stichting voor andere woonvormen:
Boom staat op erf van vrouw, maar binnen twee meter van de grens. Boom mocht er niet staan
volgens de buurman (art. 5:42 BW). HR: meer nodig dan dat de boom er al heel lang staat.
Alleen argument van verjaring dat erfdienstbaarheid geldig is, is onjuist. Voor verjaring moet
je bezitter zijn en dat kon niet zomaar aangenomen worden. Zij beweerde bezitter te zijn van
de erfdienstbaarheid. Als dat maar lang genoeg duurt wordt dat een recht op erfdienstbaarheid.
Zij beweerde dat ze daarom een inbreuk mocht maken op het burenrecht. HR: het moest
duidelijk en ondubbelzinnig zijn dat zij een recht op erfdienstbaarheid heeft. Dat de boom er
al sinds mensenheugenis staat is onvoldoende argument. Voortdurend en zichtbaar bezit.
Verjaring (art. 3:99 BW):
- Object is relevant voor de termijn (3 jaar of 10 jaar).
- Goedertrouw.
- Onafgebroken bezit
In casu termijn 10 jaar, want erfdienstbaarheid (registergoed). Kan mevrouw goedertrouw
zijn? Voor erfdienstbaarheid is vestiging of verjaring nodig. Ze dacht dat ie gevestigd was.
Voor vestiging is nodig inschrijving in openbare register. Maar ze beroept zich op verjaring.
Dit betekent dat er geen akte is ingeschreven. Dus geen te goeder trouw. Verjaring op basis
van art. 3:99 BW loopt spaak.
Stel wel goeder trouw, maar rechter neemt bezit van een erfdienstbaarheid niet snel aan.
Omweg is art. 3:105 lid 1 jo 3:106 BW. De vordering van art. 3:106 BW moet zijn verjaard.
Termijn begint te lopen daags na de inbreuk. Verjaringstermijn van 20 jaar. Mevrouw moet
bewijzen dat meer dan 20 jaar is verstreken. Je hoeft hiervoor niet te goeder trouw te zijn.
Hier is onafgebroken bezit niet nodig. Als je al één dag bezitter bent, geldt het ook al. Bezit
van erfdienstbaarheid wordt niet snel aangenomen, zoals net al bij art. 3:99 BW bleek. Nu
zelfde probleem.
Vorige eigenaar door verjaring erfdienstbaarheid. Erfdienstbaarheid is een afhankelijk recht
(huis vrouw). Op huis buurman ligt een beperkt recht. Als een van de twee erven over gaat, is
dit een consequentie. Maar in achterhoofd houdend, dit staat niet in een akte omdat het gaat
om verjaring.
NB. Onderhoud van de boom heeft weinig invloed.
Vraag 1
Er wordt in de literatuur wel een onderscheid gemaakt tussen ‘derivatieve verkrijging’ en
‘originaire verkrijging’. Wat is originaire verkrijging? Geef drie voorbeelden van originaire
verkrijging.
Derivatieve verkrijging betekent dat er een directe rechtsvoorganger is, zoals bij overdracht,
onteigening (art. 3:80 lid 3 BW) en algemene titel (erfopvolging, boedelmenging art. 1:94 lid
1 BW, fusie art. 2:308 BW en splitsing art. 2:334a BW).
Van een originaire verkrijging is sprake als een persoon zijn rechtspositie niet ontleent aan een
ander, doch een nieuw recht op een goed verkrijgt. Het originair verkregen recht is vrijwel
altijd ‘schoon’, op het verkregen goed rusten meestal geen beperkte rechten (zie art. 3:81 lid 2
2
, sub a BW). Voorbeelden van originaire verkrijgingen zijn verjaring, schatvinding en
zaaksvorming.
Verder nog: inbezitneming, vinderschap, natrekking, vermenging en vruchttrekking.
NB. Algemene titel gebeurt van rechtswege. Dus is inclusief overgang van schulden.
Overdracht is alleen recht en geen schuld.
Vraag 2
Frederik heeft EUR 20.000 geleend van Cash BV. Ter zekerheid tot terugbetaling heeft
Frederik ten gunste van Cash BV een stil pandrecht gevestigd op zijn auto. Cash BV cedeert
(overgeven/afstaan) de vordering op Frederik rechtsgeldig aan de Rabobank. Vervolgens
betaalt Frederik het bedrag van de lening (EUR 20.000) plus bijbehorende renteverplichtingen
aan de Rabobank. Wie is na betaling pandhouder: de cedent, de cessionaris of geen van
beiden?
Cedent: degene die een vordering op naam overdraagt aan een ander.
Cessionaris: de verkrijger.
Fr is debiteur en C BV is crediteur. Sprake van een geldlening. C BV heeft een vordering. C
BV heeft een pandrecht op de auto en Fr heeft eigendom van auto.
C BV cedeert (door koop en levering) aan Rabo. Rabo verkrijgt vorderingsrecht en is nu
schuldeiser van Fr (op grond van art. 3:82 BW). Pandrecht is afhankelijk recht en is
afhankelijk van de vordering.
Fr betaalt aan Rabo.
Indien het geleende geld afbetaald word, is er geen sprake meer van een pandrecht. Het
pandrecht is teniet gegaan (art. 3:81 lid 2 sub b BW).
NB. Cessie geschiedt door middel van art. 3:94 BW
- Lid 1 openbare cessie: akte en mededeling
- Lid 3 stille cessie: authentieke akte of geregistreerde onderhandse akte zonder
mededeling
Bezitsverschaffing (art. 90 lid 1 BW):
- Art. 3:114 BW: bezitsoverdracht
- Art. 3:115 BW: consensueel
o Sub a: cp bezitter
o Sub b: bm kan ook door houder
o Sub c: lm kan ook door houder
Afspraak
Mededeling
Erkenning
Vraag 3
Ellen heeft een huis met tuin gekocht in Hoenderloo. Vervolgens is het huis rechtsgeldig via
de volgens de wet geldende vereisten aan Ellen geleverd. Achter in de tuin staat een oude eik.
Deze eik is in 1908 door de toenmalige eigenaren van het terrein geplant. De eik staat in de
tuin van Ellen precies naast de grensafscheiding met het perceel van buurman Eugene. Een
week na de verhuizing van Ellen belt Eugene bij haar aan, en stelt zich op het standpunt dat de
eik, gezien art. 5:42 BW en de afwezigheid van een daarvan afwijkende plaatselijke
verordening of gewoonte, door Ellen moet worden verwijderd.
3