Zenuwstelsel onderzoek hond
Anamnese:
- Eet- en slikproblemen; denkt hierbij aan problemen bij het gebruik van de kaken,
gebit en tong als problemen bij het slikken
- Verminderd stemgeluid (dysfonie); kan veroorzaakt worden door een lokale
aandoening van de larynxmusculatuur of een regionale innervatiestoornis, daarnaast
kan het ook een systemische aandoening zijn die de stembanden belemmert.
- Gestoorde locomotie; krreupel, parese of ataxie.
- Veranderde gewoonten of bewegingen; toevallen, flauwtes en abnormaal gedrag. Dit
kan periodiek of aanvalsgewijs optreden
- Aanvulling anamnese; video’s vragen van de toevallen aan de eigenaar.
Gedrag en bewustzijnsniveau:
- Gedrag; tijdens het onderzoek is dit desoriëntatie, dwangbewegingen en toevallen.
- Bewustzijnsniveau; attent/alert, sopor, stupor, coma
Locomotie en houding (de wervelkolom):
- Inspectie; kyfose, lordose, scoliose.
- Palpatie; oppervlakkig, diepe
- Percussie; alleen uitvoeren als geen sprake is van trauma en/of de inspectie/palpatie
geen afwijkingen opleverden.
- Passieve bewegingen; alleen uitvoeren als geen sprake is van trauma en/of de
inspectie/palpatie geen afwijkingen opleverden. Daarnaast moet je het niet
uitvoeren bij verdenking van instabiliteit, (sub)luxatie of fractuur van de
wervelkolom.
1. Passieve bewegingen van de hals; dit doe je naar dorsaal, ventraal, links en recht.
Dit doe je eerst van af de tweede halswervel en daarna doe je vanaf de schouder.
2. Passieve beweging van de wervelkolom (lumbaal); eerst strek je hem naar
achteren en duw je hem omlaag bij z’n kont. Dan kun je hem bij z’n kont draaien
naar links en naar recht om de lengteas. Dan kun je hem naar links en naar rechts
buigen vanachter. Dan kun je de kont naar z’n buik toe buigen.
, Onderzoek van de kop
- Inspectie
- Positie van de kop;
1. Scheve kophouding, draaiing om de lengteas naar links of rechts= ‘’head tilt’
2. Kop naar lateraal (links of rechts) in een horizontale vlak= ‘’head turn’’
- Oren
- Kauwspieren (m.temporalis en m.mandibularis)
1. Hypertrofie, atrofie
- Mimische musculatuur
- Ogen, oogleden en ooglidspleet
1. Nystagmus (pendel, fasish, horizontaal, verticaal, rotatoir, spontaan, possitioneel,
positieveranderingen, fotokinetisch)
- Pupillen
1. Pupillen (miosis, myadriasis, syndroom van Horner, anisocorie)
- Onderkaak
1. Afhangend
2. motiliteit
- Tong
- Visus;
1. ‘’Off hands’’ onderzoekà kat/hond observeren in de onderzoek kamer
2. Optische plaatsing
3. Wattenproptest
- Palpatie van de kop:
1. Benigne en weke delen
2. Opening van de bek:
• Tonus/weerstand
• Pijnlijkheid
• Beoordeling van de tong
- Cerebrale reflexen
1. Pupilreflex; met een felle licht bron in het oog schijnen (in beide ogen). eerst
schijn je in een oog (pupil wordt klein) en dan in het andere oog om te kijken of
daar de pupil al klein was (consensuele).
2. Ooglidreflex; tikken rondom het oog om te kijken of de hond zijn oog dichtknipt
3. Dreigreflex; beweeg de vinger vanaf de zijkant richting het oog. Omvat wel de bek
van het dier hierbij.
4. Slik- en hoestreflex
Houdingsreacties
- Dubbeltreden; voldoende belasting van de ledemaat die onderzocht wordt is
essentieel. Hierbij klap je bovenkant van de voet naar beneden en wordt deze direct
weer correct neergezet.
- Hinkelen; op de grond bij de hond, naast de hond. Kijk goed hoe de voor- en
achterkant wordt opgetild. Bij de kleine hond doe je het achter het dier en op de
tafel.
- Plaatsingsreacties
Anamnese:
- Eet- en slikproblemen; denkt hierbij aan problemen bij het gebruik van de kaken,
gebit en tong als problemen bij het slikken
- Verminderd stemgeluid (dysfonie); kan veroorzaakt worden door een lokale
aandoening van de larynxmusculatuur of een regionale innervatiestoornis, daarnaast
kan het ook een systemische aandoening zijn die de stembanden belemmert.
- Gestoorde locomotie; krreupel, parese of ataxie.
- Veranderde gewoonten of bewegingen; toevallen, flauwtes en abnormaal gedrag. Dit
kan periodiek of aanvalsgewijs optreden
- Aanvulling anamnese; video’s vragen van de toevallen aan de eigenaar.
Gedrag en bewustzijnsniveau:
- Gedrag; tijdens het onderzoek is dit desoriëntatie, dwangbewegingen en toevallen.
- Bewustzijnsniveau; attent/alert, sopor, stupor, coma
Locomotie en houding (de wervelkolom):
- Inspectie; kyfose, lordose, scoliose.
- Palpatie; oppervlakkig, diepe
- Percussie; alleen uitvoeren als geen sprake is van trauma en/of de inspectie/palpatie
geen afwijkingen opleverden.
- Passieve bewegingen; alleen uitvoeren als geen sprake is van trauma en/of de
inspectie/palpatie geen afwijkingen opleverden. Daarnaast moet je het niet
uitvoeren bij verdenking van instabiliteit, (sub)luxatie of fractuur van de
wervelkolom.
1. Passieve bewegingen van de hals; dit doe je naar dorsaal, ventraal, links en recht.
Dit doe je eerst van af de tweede halswervel en daarna doe je vanaf de schouder.
2. Passieve beweging van de wervelkolom (lumbaal); eerst strek je hem naar
achteren en duw je hem omlaag bij z’n kont. Dan kun je hem bij z’n kont draaien
naar links en naar recht om de lengteas. Dan kun je hem naar links en naar rechts
buigen vanachter. Dan kun je de kont naar z’n buik toe buigen.
, Onderzoek van de kop
- Inspectie
- Positie van de kop;
1. Scheve kophouding, draaiing om de lengteas naar links of rechts= ‘’head tilt’
2. Kop naar lateraal (links of rechts) in een horizontale vlak= ‘’head turn’’
- Oren
- Kauwspieren (m.temporalis en m.mandibularis)
1. Hypertrofie, atrofie
- Mimische musculatuur
- Ogen, oogleden en ooglidspleet
1. Nystagmus (pendel, fasish, horizontaal, verticaal, rotatoir, spontaan, possitioneel,
positieveranderingen, fotokinetisch)
- Pupillen
1. Pupillen (miosis, myadriasis, syndroom van Horner, anisocorie)
- Onderkaak
1. Afhangend
2. motiliteit
- Tong
- Visus;
1. ‘’Off hands’’ onderzoekà kat/hond observeren in de onderzoek kamer
2. Optische plaatsing
3. Wattenproptest
- Palpatie van de kop:
1. Benigne en weke delen
2. Opening van de bek:
• Tonus/weerstand
• Pijnlijkheid
• Beoordeling van de tong
- Cerebrale reflexen
1. Pupilreflex; met een felle licht bron in het oog schijnen (in beide ogen). eerst
schijn je in een oog (pupil wordt klein) en dan in het andere oog om te kijken of
daar de pupil al klein was (consensuele).
2. Ooglidreflex; tikken rondom het oog om te kijken of de hond zijn oog dichtknipt
3. Dreigreflex; beweeg de vinger vanaf de zijkant richting het oog. Omvat wel de bek
van het dier hierbij.
4. Slik- en hoestreflex
Houdingsreacties
- Dubbeltreden; voldoende belasting van de ledemaat die onderzocht wordt is
essentieel. Hierbij klap je bovenkant van de voet naar beneden en wordt deze direct
weer correct neergezet.
- Hinkelen; op de grond bij de hond, naast de hond. Kijk goed hoe de voor- en
achterkant wordt opgetild. Bij de kleine hond doe je het achter het dier en op de
tafel.
- Plaatsingsreacties