Samenvatting Nederlands tekstbegrip
Woordenschatoefeningen :
Week 1 :
1) de interpretatie = a) de uitleg, verklaring
2) de mutatie = f) de wijziging, verandering
3) fiatteren = c) goedkeuren
4) de geconsolideerde jaarrekening = k) een jaarrekening waarin de activa en passiva worden
opgenomen van vennootschappen en rechtspersonen die een groep vormen
5) de joint venture = g) een samenwerking van twee of meer bedrijven voor een speciaal project
6) de jurisprudentie = i) uitspraken van rechters op verschillende niveaus die gelden voor soortgelijke
gevallen en dus in kracht vergelijkbaar zijn met wetten
7) objectief = j) zich beperkend tot de feiten, dus zonder (voor)oordelen
8) preferent(e aandelen) = e) die voorrang hebben, met voorkeursrecht
9) de prioriteit = h) de voorrang
10) de procedure = d) de manier van werken, methode
Week 2 :
1) de stabiliteit = F het evenwicht
2) de stagnatie = j) het stilvallen
3) terstond = a) direct
4) ultimo = k) aan het einde van een periode
5) de annuïteit = e) jaarlijkse uitkering of afbetaling; een bedrag dat elke periode weliswaar gelijk is,
maar waarin het deel afschrijving en het deel rente niet over de hele periode gelijk zijn.
6) de conjunctuur = b) welvaartscyclus, laag- en hoogconjuctuur
7) de continuïteit = g) opeenvolging zonder onderbreking
8) het criterium = c) de maatstaf van beoordeling
9) de cyclus = h) de kring, het einde mondt uit in een volgend begin
10) efficiënt = i) de kortste juiste weg naar het doel
, Week 3 :
1) de emissie = a) de uitgifte
2) interpreteren van = g) uitleggen, verklaren
3) formeel = o) officieel
4) consumeren = b) verbruiken, gebruiken
5) het dividend = m) periodieke winstuitkering aan de aandeelhouders
6) de evaluatie = f) de bespreking waarbij een oordeel wordt gevormd over een plan, les enz.
7) fictief = j) denkbeeldig, hypothetisch
8) de fusie = n) op gelijkwaardige wijze samengaan
9) gelieerd aan = h) verbonden met
10) de beschikking = l) een schriftelijk en onderbouwd antwoord van bijvoorbeeld een
belastinginspecteur op een verzoek op bezwaarschrift; het besluit waarbij iets wordt geregeld
11) het contrast = c) een tegenstelling die in het oog valt
12) differentiëren = d) zich op verschillende manieren ontwikkelen
13) investeren in = i) geld, tijd, energie steken in bijvoorbeeld een bedrijf, de economie
14) de participatie = e) het deelnemen, meedoen aan
15) de notulen = k) het vergaderverslag
Week 4 :
1) de analyse = f) de ontleding in bestanddelen; de uiteenzetting van iets dat voor de geest een
samenstel is om het nader te bekijken of beter te begrijpen
2) centraliseren = h) in een punt samenbrengen, naar een punt brengen
3) complex = j) een moeilijk, samengesteld, uit ongelijksoortige of ongelijkwaardige delen of factoren
4) het concept = c) het ontwerp; de voorlopige formulering van een regeling, een wet, een brief of
geschrift
5) conform = l) gelijkluidend, volgens de regels
6) de contradictie = g) de tegenspraak, de tegenstrijdigheid
7) decentraliseren = o) bevoegdheden verspreiden/ onder brengen bij lagere instanties of afdelingen
8) duaal = a) tweevoudig, tweeledig, tweedelig
9) de epiloog = m) de afsluiting, het laatste gedeelte van een boek, het naspel ervan
Woordenschatoefeningen :
Week 1 :
1) de interpretatie = a) de uitleg, verklaring
2) de mutatie = f) de wijziging, verandering
3) fiatteren = c) goedkeuren
4) de geconsolideerde jaarrekening = k) een jaarrekening waarin de activa en passiva worden
opgenomen van vennootschappen en rechtspersonen die een groep vormen
5) de joint venture = g) een samenwerking van twee of meer bedrijven voor een speciaal project
6) de jurisprudentie = i) uitspraken van rechters op verschillende niveaus die gelden voor soortgelijke
gevallen en dus in kracht vergelijkbaar zijn met wetten
7) objectief = j) zich beperkend tot de feiten, dus zonder (voor)oordelen
8) preferent(e aandelen) = e) die voorrang hebben, met voorkeursrecht
9) de prioriteit = h) de voorrang
10) de procedure = d) de manier van werken, methode
Week 2 :
1) de stabiliteit = F het evenwicht
2) de stagnatie = j) het stilvallen
3) terstond = a) direct
4) ultimo = k) aan het einde van een periode
5) de annuïteit = e) jaarlijkse uitkering of afbetaling; een bedrag dat elke periode weliswaar gelijk is,
maar waarin het deel afschrijving en het deel rente niet over de hele periode gelijk zijn.
6) de conjunctuur = b) welvaartscyclus, laag- en hoogconjuctuur
7) de continuïteit = g) opeenvolging zonder onderbreking
8) het criterium = c) de maatstaf van beoordeling
9) de cyclus = h) de kring, het einde mondt uit in een volgend begin
10) efficiënt = i) de kortste juiste weg naar het doel
, Week 3 :
1) de emissie = a) de uitgifte
2) interpreteren van = g) uitleggen, verklaren
3) formeel = o) officieel
4) consumeren = b) verbruiken, gebruiken
5) het dividend = m) periodieke winstuitkering aan de aandeelhouders
6) de evaluatie = f) de bespreking waarbij een oordeel wordt gevormd over een plan, les enz.
7) fictief = j) denkbeeldig, hypothetisch
8) de fusie = n) op gelijkwaardige wijze samengaan
9) gelieerd aan = h) verbonden met
10) de beschikking = l) een schriftelijk en onderbouwd antwoord van bijvoorbeeld een
belastinginspecteur op een verzoek op bezwaarschrift; het besluit waarbij iets wordt geregeld
11) het contrast = c) een tegenstelling die in het oog valt
12) differentiëren = d) zich op verschillende manieren ontwikkelen
13) investeren in = i) geld, tijd, energie steken in bijvoorbeeld een bedrijf, de economie
14) de participatie = e) het deelnemen, meedoen aan
15) de notulen = k) het vergaderverslag
Week 4 :
1) de analyse = f) de ontleding in bestanddelen; de uiteenzetting van iets dat voor de geest een
samenstel is om het nader te bekijken of beter te begrijpen
2) centraliseren = h) in een punt samenbrengen, naar een punt brengen
3) complex = j) een moeilijk, samengesteld, uit ongelijksoortige of ongelijkwaardige delen of factoren
4) het concept = c) het ontwerp; de voorlopige formulering van een regeling, een wet, een brief of
geschrift
5) conform = l) gelijkluidend, volgens de regels
6) de contradictie = g) de tegenspraak, de tegenstrijdigheid
7) decentraliseren = o) bevoegdheden verspreiden/ onder brengen bij lagere instanties of afdelingen
8) duaal = a) tweevoudig, tweeledig, tweedelig
9) de epiloog = m) de afsluiting, het laatste gedeelte van een boek, het naspel ervan