Biologie samenvatting hoofdstuk 13
Paragraaf 1 en 2:
De diffusie van O 2 bij de gaswisseling gaat snel. Die snelle diffusie is mogelijk door:
1. Een groot concentratieverschil van O 2 tussen de longblaasjes en de haarvaten.
Door adem te halen ververs je lucht in de longblaasjes: ventilatie. Dat de
hoeveelheid O 2 in je longblaasjes hoog. De concentratie O 2 in het bloed is laag. De
bloedstroom voert steeds nieuw O 2-arm bloed langs de longblaasjes Door de lucht
in de longen voortdurend te verversen, houd je de concentratie CO 2 in de lucht van je
longblaasjes laag, terwijl de aanvoer van CO 2-rijk bloed doorgaat: het
concentratieverschil blijft groot.
2. Een kleine diffusieafstand. Doordat de wanden van longblaasjes en haarvaten
slechts een cellaag dik zijn, is de afstand tussen bloed en longblaasjes erg klein.
3. Een groot diffusieoppervlak. Dankzij de vele longblaasjes kan er op veel plekken
tegelijk diffusie plaatsvinden.
Ademfrequentie→het aantal ademhalingen per minuut.
Ademvolume →de hoeveelheid lucht die in rust wordt uit- en ingeademd.
Ademminuutvolume→de hoeveelheid lucht die per minuut in- en uitgeademd wordt.
AMV = AF x AV
AF = AMV : AV
AV = AMV : AF
Zie werkblad longen. (ook uitleg leerdoel 5)
De dode ruimte is het gedeelte van de luchtwegen waar geen gaswisseling plaatsvindt. Dit
zijn de luchtpijp, de bronchiën en de luchtpijpvertakkingen in de longen.
Er bevindt zich vocht tussen het borstvlies en het longvlies. Dit heet de pleurale ruimte. Dit
vocht zorgt ervoor dat de vliezen soepel langs elkaar bewegen tijdens het ademen.
De regeling van de ademhaling vindt plaats in het ademcentrum. Dit is een groep
zenuwcellen in de hersenstam die de ademhalingsspieren aanstuurt. Het ademcentrum
reageert vooral op de pH en de CO 2-concentratie in het bloed. Tijdens het sporten
registreren chemoreceptoren in de wand van de aorta dat in het bloed de concentratie CO 2
stijgt en pH daalt. Zij sturen deze informatie naar het ademcentrum. Het ademcentrum zet
de ademhalingsspieren extra aan het werk.
Paragraaf 1 en 2:
De diffusie van O 2 bij de gaswisseling gaat snel. Die snelle diffusie is mogelijk door:
1. Een groot concentratieverschil van O 2 tussen de longblaasjes en de haarvaten.
Door adem te halen ververs je lucht in de longblaasjes: ventilatie. Dat de
hoeveelheid O 2 in je longblaasjes hoog. De concentratie O 2 in het bloed is laag. De
bloedstroom voert steeds nieuw O 2-arm bloed langs de longblaasjes Door de lucht
in de longen voortdurend te verversen, houd je de concentratie CO 2 in de lucht van je
longblaasjes laag, terwijl de aanvoer van CO 2-rijk bloed doorgaat: het
concentratieverschil blijft groot.
2. Een kleine diffusieafstand. Doordat de wanden van longblaasjes en haarvaten
slechts een cellaag dik zijn, is de afstand tussen bloed en longblaasjes erg klein.
3. Een groot diffusieoppervlak. Dankzij de vele longblaasjes kan er op veel plekken
tegelijk diffusie plaatsvinden.
Ademfrequentie→het aantal ademhalingen per minuut.
Ademvolume →de hoeveelheid lucht die in rust wordt uit- en ingeademd.
Ademminuutvolume→de hoeveelheid lucht die per minuut in- en uitgeademd wordt.
AMV = AF x AV
AF = AMV : AV
AV = AMV : AF
Zie werkblad longen. (ook uitleg leerdoel 5)
De dode ruimte is het gedeelte van de luchtwegen waar geen gaswisseling plaatsvindt. Dit
zijn de luchtpijp, de bronchiën en de luchtpijpvertakkingen in de longen.
Er bevindt zich vocht tussen het borstvlies en het longvlies. Dit heet de pleurale ruimte. Dit
vocht zorgt ervoor dat de vliezen soepel langs elkaar bewegen tijdens het ademen.
De regeling van de ademhaling vindt plaats in het ademcentrum. Dit is een groep
zenuwcellen in de hersenstam die de ademhalingsspieren aanstuurt. Het ademcentrum
reageert vooral op de pH en de CO 2-concentratie in het bloed. Tijdens het sporten
registreren chemoreceptoren in de wand van de aorta dat in het bloed de concentratie CO 2
stijgt en pH daalt. Zij sturen deze informatie naar het ademcentrum. Het ademcentrum zet
de ademhalingsspieren extra aan het werk.