Biologie samenvatting hoofdstuk 6:
Grotere dieren hebben een relatief klein oppervlak ten opzichte van het volume waardoor het
warmteverlies bij grote dieren relatief kleiner is t.o.v. kleine dieren. Een muis heeft een
relatief groot oppervlak t.o.v. zijn volume en koelt sneller af. Daarom zijn muizen ook
actiever en verbranden ze meer energie. Hoe groter het dier, hoe minder snel het
lichaamswarmte af zal geven. Kleine dieren verliezen warmte sneller dan grote dieren en
moeten daarom relatief meer eten om voldoende energie te hebben, zodat ze hun
lichaamstemperatuur constant kunnen houden. Grote dieren geven minder snel
lichaamswarmte af en hebben dus relatief minder energie nodig om hun
lichaamstemperatuur constant te houden.
Paragraaf 1:
In de eerste periode van hun leven drinken baby’s moedermelk. De samenstelling van de
moedermelk varieert. De allereerste moedermelk bevat veel eiwitten. Eiwitten zijn
bouwstoffen die de kleine goed kan gebruiken om nieuwe cellen te maken. Na een paar
dagen neemt het eiwitgehalte af en de hoeveelheden vet en lactose nemen toe. Vetten en
koolhydraten gebruikt de baby als brandstoffen. Zij leveren energie om het lichaam warm te
houden. Moedermelk bevat ook vitaminen en mineralen. Dat zijn beschermende stoffen,
nodig om de baby gezond te houden. Daarnaast bevat de melk antistoffen. Zij beschermen
de baby tegen ziekteverwekkers.
Darmflora is het geheel van micro-organismen (bacteriën) dat zich in het maag-darmstelsel
bevindt. Een belangrijke functie van de darmflora is het afbreken van stoffen die niet door het
eigen systeem kunnen worden afgebroken, bijvoorbeeld kraakbeen en voedingsvezels.
Sommige soorten helpen bij de vertering, andere maken bijvoorbeeld vitamines.
Kinderen die borstvoeding krijgen, nemen minder snel in gewicht toe dan kinderen die
flesvoeding krijgen. Met flesvoeding komen allerlei schadelijke bacteriën naar binnen. Het
afweersysteem van een jonge baby werkt nog niet zo goed. Deze bacteriën kunnen
allergieën veroorzaken. De tepel bevat zweetklieren die geurstoffen scheiden waaraan de
baby de moeder kan herkennen. Dit verstevigd de band tussen moeder en kind. Er komen
bacteriën via de melk in de darm van de baby, waar koolhydraten uit moedermelk de
vermeerdering van de bacteriën mogelijk maken.
Welvaartsziekten, zoals vetzucht en hart- en vaatziekten ontstaan door te veel eten en te
weinig bewegen. Gebreksziekten ontstaan door een tekort aan bepaalde voedingsstoffen,
meestal vitamines of mineralen en dit komt omdat je dan te eenzijdig eet. Door een tekort
aan ijzerzouten in je voedsel bijvoorbeeld, vermindert de aanmaak van de rode
bloedkleurstof hemoglobine die de O 2 vervoert. Zonder deze stof kun je geen rode
bloedcellen maken. Deze vorm van bloedarmoede maakt je je snel moe voelt.
Paragraaf 2:
De functie van het gebit is het voedsel in kleine delen te knippen en te vermalen. Dit is
mechanische verkleining. Hierdoor neemt het oppervlak van de voedsel deeltjes toe en
, kan de chemische afbraak sneller verlopen. Tijdens de chemische afbraak zetten
verteringsenzymen de grote moleculen uit je voedsel om in kleinere.
1. Mondholte: de wand van de mondholte
bevat zes grote speekselklieren. Het
speeksel bevat een enzym dat het grote
koolhydraat zetmeel afbreekt.
2. Slokdarm: spieren duwen de voedselbrokjes
door de darm. Dat doen spieren in alle
darmen.
3. Maag: de wand van de maag is geplooid.
Tussen de plooien van de wand monden
afvoerbuizen van maagsapklieren uit.
Sommige cellen van de spieren maken
maagzuur, dat veel bacteriën in het voedsel onschadelijk maakt. Andere cellen
maken pepsinogeen. In het maagzuur verandert dit in een actief eiwitsplitsend
enzym. Een derde type cellen produceert slijm, dat de tegen de eigen
verteringssappen beschermd.
4. Twaalfvingerige darm: de alvleesklier geeft verschillende enzymen af aan de
twaalfvingerige darm, het begin van de dunne darm. Die enzymen verteren DNA,
vetten en het overgebleven zetmeel uit het broodje en zetten de volgende de stap
van de eiwitafbraak. Gal uit de lever helpt bij de lever helpt bij de vertering van vetten.
5. Dunne darm: verschillende enzymen uit de darmsapklieren voltooien de vertering
met de laatste stappen van de koolhydraat-en eiwitvertering. Ze breken ook DNA af.
De darmcellen nemen de verteringsproducten en andere kleine moleculen op uit de
darminhoud en geven ze af aan het bloed. Wat overblijft is een vloeibare bij die de
blindedarm krijgt.
6. Blindedarm: de blindedarm is het begin van de dikke darm. In dit deel van de dikke
darm leeft een grote darmflora. Tijdens een diarree aanval raken mensen veel
nuttige bacteriën kwijt. Na zo’n aanval kan de darmflora herstellen met bacteriën uit
de blindedarm en de appendix, het aanhangsel van de dikke darm.
7. Dikke darm: de dikke darm bevat bacteriën die met hun enzymen stoffen verteren
die mensen zelf niet kunnen verteren. Andere bacteriën maken nuttige stoffen zoals
vitamine K. Verder haalt de dikke darm veel water uit de voedselbrij.
8. Endeldarm: in het laatste stuk van de dikke darm, wordt de ontlasting tijdelijk
opgeslagen.
De spijsvertering is het losmaken, opnemen en omzetten van voedingsstoffen in energie en
bouwstenen voor het lichaam. Voordat je lichaam de voedingsstoffen uit je eten kan
opnemen, moet het voedsel eerst bewerkt worden. Het wordt gekauwd, gekneed en
gemengd met verteringsappen. Dit noem je vertering. Om te kunnen bewegen is energie
nodig en die energie wordt geleverd door de verbranding. Verbranding is een voorbeeld van
dissimilatie.
Inhoud van het darmstelsel en de longen en het uitscheidingsstelsel behoren tot het
uitwendig milieu. De samenstelling van het uitwendig milieu is niet constant. Het bloed,
weefselvloeistof en lymfe vloeistof is het inwendig milieu. De samenstelling van dit milieu is
wel constant.
Grotere dieren hebben een relatief klein oppervlak ten opzichte van het volume waardoor het
warmteverlies bij grote dieren relatief kleiner is t.o.v. kleine dieren. Een muis heeft een
relatief groot oppervlak t.o.v. zijn volume en koelt sneller af. Daarom zijn muizen ook
actiever en verbranden ze meer energie. Hoe groter het dier, hoe minder snel het
lichaamswarmte af zal geven. Kleine dieren verliezen warmte sneller dan grote dieren en
moeten daarom relatief meer eten om voldoende energie te hebben, zodat ze hun
lichaamstemperatuur constant kunnen houden. Grote dieren geven minder snel
lichaamswarmte af en hebben dus relatief minder energie nodig om hun
lichaamstemperatuur constant te houden.
Paragraaf 1:
In de eerste periode van hun leven drinken baby’s moedermelk. De samenstelling van de
moedermelk varieert. De allereerste moedermelk bevat veel eiwitten. Eiwitten zijn
bouwstoffen die de kleine goed kan gebruiken om nieuwe cellen te maken. Na een paar
dagen neemt het eiwitgehalte af en de hoeveelheden vet en lactose nemen toe. Vetten en
koolhydraten gebruikt de baby als brandstoffen. Zij leveren energie om het lichaam warm te
houden. Moedermelk bevat ook vitaminen en mineralen. Dat zijn beschermende stoffen,
nodig om de baby gezond te houden. Daarnaast bevat de melk antistoffen. Zij beschermen
de baby tegen ziekteverwekkers.
Darmflora is het geheel van micro-organismen (bacteriën) dat zich in het maag-darmstelsel
bevindt. Een belangrijke functie van de darmflora is het afbreken van stoffen die niet door het
eigen systeem kunnen worden afgebroken, bijvoorbeeld kraakbeen en voedingsvezels.
Sommige soorten helpen bij de vertering, andere maken bijvoorbeeld vitamines.
Kinderen die borstvoeding krijgen, nemen minder snel in gewicht toe dan kinderen die
flesvoeding krijgen. Met flesvoeding komen allerlei schadelijke bacteriën naar binnen. Het
afweersysteem van een jonge baby werkt nog niet zo goed. Deze bacteriën kunnen
allergieën veroorzaken. De tepel bevat zweetklieren die geurstoffen scheiden waaraan de
baby de moeder kan herkennen. Dit verstevigd de band tussen moeder en kind. Er komen
bacteriën via de melk in de darm van de baby, waar koolhydraten uit moedermelk de
vermeerdering van de bacteriën mogelijk maken.
Welvaartsziekten, zoals vetzucht en hart- en vaatziekten ontstaan door te veel eten en te
weinig bewegen. Gebreksziekten ontstaan door een tekort aan bepaalde voedingsstoffen,
meestal vitamines of mineralen en dit komt omdat je dan te eenzijdig eet. Door een tekort
aan ijzerzouten in je voedsel bijvoorbeeld, vermindert de aanmaak van de rode
bloedkleurstof hemoglobine die de O 2 vervoert. Zonder deze stof kun je geen rode
bloedcellen maken. Deze vorm van bloedarmoede maakt je je snel moe voelt.
Paragraaf 2:
De functie van het gebit is het voedsel in kleine delen te knippen en te vermalen. Dit is
mechanische verkleining. Hierdoor neemt het oppervlak van de voedsel deeltjes toe en
, kan de chemische afbraak sneller verlopen. Tijdens de chemische afbraak zetten
verteringsenzymen de grote moleculen uit je voedsel om in kleinere.
1. Mondholte: de wand van de mondholte
bevat zes grote speekselklieren. Het
speeksel bevat een enzym dat het grote
koolhydraat zetmeel afbreekt.
2. Slokdarm: spieren duwen de voedselbrokjes
door de darm. Dat doen spieren in alle
darmen.
3. Maag: de wand van de maag is geplooid.
Tussen de plooien van de wand monden
afvoerbuizen van maagsapklieren uit.
Sommige cellen van de spieren maken
maagzuur, dat veel bacteriën in het voedsel onschadelijk maakt. Andere cellen
maken pepsinogeen. In het maagzuur verandert dit in een actief eiwitsplitsend
enzym. Een derde type cellen produceert slijm, dat de tegen de eigen
verteringssappen beschermd.
4. Twaalfvingerige darm: de alvleesklier geeft verschillende enzymen af aan de
twaalfvingerige darm, het begin van de dunne darm. Die enzymen verteren DNA,
vetten en het overgebleven zetmeel uit het broodje en zetten de volgende de stap
van de eiwitafbraak. Gal uit de lever helpt bij de lever helpt bij de vertering van vetten.
5. Dunne darm: verschillende enzymen uit de darmsapklieren voltooien de vertering
met de laatste stappen van de koolhydraat-en eiwitvertering. Ze breken ook DNA af.
De darmcellen nemen de verteringsproducten en andere kleine moleculen op uit de
darminhoud en geven ze af aan het bloed. Wat overblijft is een vloeibare bij die de
blindedarm krijgt.
6. Blindedarm: de blindedarm is het begin van de dikke darm. In dit deel van de dikke
darm leeft een grote darmflora. Tijdens een diarree aanval raken mensen veel
nuttige bacteriën kwijt. Na zo’n aanval kan de darmflora herstellen met bacteriën uit
de blindedarm en de appendix, het aanhangsel van de dikke darm.
7. Dikke darm: de dikke darm bevat bacteriën die met hun enzymen stoffen verteren
die mensen zelf niet kunnen verteren. Andere bacteriën maken nuttige stoffen zoals
vitamine K. Verder haalt de dikke darm veel water uit de voedselbrij.
8. Endeldarm: in het laatste stuk van de dikke darm, wordt de ontlasting tijdelijk
opgeslagen.
De spijsvertering is het losmaken, opnemen en omzetten van voedingsstoffen in energie en
bouwstenen voor het lichaam. Voordat je lichaam de voedingsstoffen uit je eten kan
opnemen, moet het voedsel eerst bewerkt worden. Het wordt gekauwd, gekneed en
gemengd met verteringsappen. Dit noem je vertering. Om te kunnen bewegen is energie
nodig en die energie wordt geleverd door de verbranding. Verbranding is een voorbeeld van
dissimilatie.
Inhoud van het darmstelsel en de longen en het uitscheidingsstelsel behoren tot het
uitwendig milieu. De samenstelling van het uitwendig milieu is niet constant. Het bloed,
weefselvloeistof en lymfe vloeistof is het inwendig milieu. De samenstelling van dit milieu is
wel constant.