Tijdvak 8 – Burgers & stoommachines
Periode: 1800 tot 1900.
In de 19e eeuw onstonden er verschillende politieke stromingen.
Het liberalisme:
Na de val van Napoleon wouden zijn overwinnaars een gedeelte van de tijd voor de Franse
Revolutie herstellen. Hierdoor kwam de koning weer aan de macht en ook de adel en
geeestelijkheid kregen een gedeelte van hun macht terug.
Nederland had zich samengevormd tot het Koninkrijk der Nederlanden. Nederland werd een
constitutionele monarchie: de macht van de vorst werd beperkt door de grondwet.
De koning bestuurde Nederland als een verlichte despoot.
Net als in de 18e eeuw kwam er een verzet tegen het autoritaire regime en de bevoorrechten van
adel en geestelijkheid.
In de tweede helft van de 19e eeuw was de burgerij de leidende klassen in de samenleving in West-
Europa. Hier konden de liberale opvattingen goed worden toegepast.
In 1848 leek het liberalisme door te breken in Europa.
In veel landen braken opzetten uit tegen de macht van de vorsten:
- in Frankrijk werd de koning afgezet.
- in Nederland werd een nieuwe gronwet ingevoerd waarin de macht van de koning werd beperkt.
- in Groot-Brittanie werd in een geleidelijke ontwikkeling de positie van het parlement versterkt.
In het liberalisme zien we veel kenmerken van de verlichting terug:
- liberalen verzetten zich tegen de absolute monarchie en de bevoorrechting van adel en
geestelijkheid.
- ze wouden dat de machten gescheiden werden.
- ze wouden dat verschillende vrijheden vastgelegd werden in de grondwet.
- iedereen moest voor de wet gelijk zijn.
- alle godsdiensten moesten gelijk behandeld worden.
- ze wouden een scheiding tussen kerk en staat.
Het nationalisme:
Nationalisme = de liefde voor het vaderland en eigen volk.
In de 19e eeuw werd het nationalisme steeds sterker. Een factor hierin was de opkomst van de
romantiek omdat aanhangers van deze stroming ervan uit gingen dat ieder volk een eigen karakter
had.
Met eigen karakter bedoelde ze: taal, godsdienst en gemeenschappelijk verleden.
De overheersing van Napoleon stimuleerde het nationalisme. Vooral in Duitsland.
Politiek nationalisme kun je onderscheiden in twee vormen.
In landen zonder staatkundige eenheid stond het streven naar vereniging centraal.
In staten waar veel verschillende volken woonden wouden ze zich losmaken van de rest en een
eigen staat richten.
In Duitsland en Italie was het nationalisnme succesvol. Beide landen werden verenigd tot een groot
rijk.
In Duitsland wou Von Bismarck niets hebben van parlementen en democratie en wou hij een
Pruisische leiding.
Hij slaagde in zijn opzet en schakelde Oostenrijk uit. Hij won in 1870-1871 een oorlog tegen
Frankrijk en in 1871 werd het Duitse keizerrijk uitgeroepen.
Periode: 1800 tot 1900.
In de 19e eeuw onstonden er verschillende politieke stromingen.
Het liberalisme:
Na de val van Napoleon wouden zijn overwinnaars een gedeelte van de tijd voor de Franse
Revolutie herstellen. Hierdoor kwam de koning weer aan de macht en ook de adel en
geeestelijkheid kregen een gedeelte van hun macht terug.
Nederland had zich samengevormd tot het Koninkrijk der Nederlanden. Nederland werd een
constitutionele monarchie: de macht van de vorst werd beperkt door de grondwet.
De koning bestuurde Nederland als een verlichte despoot.
Net als in de 18e eeuw kwam er een verzet tegen het autoritaire regime en de bevoorrechten van
adel en geestelijkheid.
In de tweede helft van de 19e eeuw was de burgerij de leidende klassen in de samenleving in West-
Europa. Hier konden de liberale opvattingen goed worden toegepast.
In 1848 leek het liberalisme door te breken in Europa.
In veel landen braken opzetten uit tegen de macht van de vorsten:
- in Frankrijk werd de koning afgezet.
- in Nederland werd een nieuwe gronwet ingevoerd waarin de macht van de koning werd beperkt.
- in Groot-Brittanie werd in een geleidelijke ontwikkeling de positie van het parlement versterkt.
In het liberalisme zien we veel kenmerken van de verlichting terug:
- liberalen verzetten zich tegen de absolute monarchie en de bevoorrechting van adel en
geestelijkheid.
- ze wouden dat de machten gescheiden werden.
- ze wouden dat verschillende vrijheden vastgelegd werden in de grondwet.
- iedereen moest voor de wet gelijk zijn.
- alle godsdiensten moesten gelijk behandeld worden.
- ze wouden een scheiding tussen kerk en staat.
Het nationalisme:
Nationalisme = de liefde voor het vaderland en eigen volk.
In de 19e eeuw werd het nationalisme steeds sterker. Een factor hierin was de opkomst van de
romantiek omdat aanhangers van deze stroming ervan uit gingen dat ieder volk een eigen karakter
had.
Met eigen karakter bedoelde ze: taal, godsdienst en gemeenschappelijk verleden.
De overheersing van Napoleon stimuleerde het nationalisme. Vooral in Duitsland.
Politiek nationalisme kun je onderscheiden in twee vormen.
In landen zonder staatkundige eenheid stond het streven naar vereniging centraal.
In staten waar veel verschillende volken woonden wouden ze zich losmaken van de rest en een
eigen staat richten.
In Duitsland en Italie was het nationalisnme succesvol. Beide landen werden verenigd tot een groot
rijk.
In Duitsland wou Von Bismarck niets hebben van parlementen en democratie en wou hij een
Pruisische leiding.
Hij slaagde in zijn opzet en schakelde Oostenrijk uit. Hij won in 1870-1871 een oorlog tegen
Frankrijk en in 1871 werd het Duitse keizerrijk uitgeroepen.