Diagnostiek – Periode 3
Naam: Timo Fransen
Klas: 24F1D1
Vak: Diagnostiek 3
Docent: Yasmaine Karel
1
, Inhoudsopgave
Diagnostiek – Periode 3..........................................................................................................................1
Inhoudsopgave.......................................................................................................................................2
Validiteit.................................................................................................................................................3
Volgorde van uitvoering.........................................................................................................................4
Knie.........................................................................................................................................................6
Voorste kruisband..............................................................................................................................6
Achterste kruisband............................................................................................................................7
Superficiaal mediaal collateraal ligament...........................................................................................8
Posteromediaal complex....................................................................................................................9
Laterale collaterale ligament............................................................................................................10
Posterolaterale complex...................................................................................................................11
Meniscus...........................................................................................................................................12
Kraakbeen.........................................................................................................................................13
Fractuur............................................................................................................................................13
(Gon)Arthrose...................................................................................................................................14
Jumpers knee....................................................................................................................................15
Iliotibiale bandsyndroom..................................................................................................................16
Schouder..............................................................................................................................................17
SAPS / Tendinopathie.......................................................................................................................17
Labrum problematiek / SLAP............................................................................................................19
Anterieure instabiliteit......................................................................................................................21
Scapulaire dyskinesie........................................................................................................................23
AC diagnostiek..................................................................................................................................24
GIRD (Glenohumeral internal rotation disorder)..............................................................................25
Enkel.....................................................................................................................................................26
Enkelband letsel...............................................................................................................................26
Syndesmose letsel............................................................................................................................27
Achillespeesruptuur..........................................................................................................................28
Achillespees tendinopathie..............................................................................................................29
Fractuur............................................................................................................................................30
Talus luxatie......................................................................................................................................31
Uitvoering tentamen schouder.............................................................................................................32
2
, Validiteit
Sensitiviteit = hoe goed kan mijn test alle “positieve” gevallen uit de populatie vissen
Specificiteit = hoe goed kan mijn test alle “negatieve” gevallen uit de populatie vissen
Vals positief = de uitslag van de test is positief, maar eigenlijk zouden ze negatief moeten zijn
Vals negatief = de uitslag van de test is negatief, maar eigenlijk zijn zouden ze positief moeten zijn
Door de drempelaarde van de test te verlagen zullen veel mensen slagen voor de toets. Het voordeel
hiervan is dat iedereen die een voldoende verdiende een voldoende krijgt.
Door de drempelwaarde van de test te verhogen zullen weinig mensen slagen voor de toets. Het
voordeel hiervan is dat iedereen die een onvoldoende verdiende een onvoldoende krijgen.
SnNout met een hoge sensitieve test kunnen we iets met een negatieve testuitslag. Je kan heel
zeker zijn van het negatieve testresultaat. Het nadeel is dat er een hoger risico op een vals positief is.
borstkanker
SpPin met een hoge specifieke test kunnen we iets met een positieve testuitslag. Je kan geel zeker
zijn van het positieve testresultaat. Het nadeel is dat er een hoger risico is op een vals negatief is.
psychiatrische instelling
Sn N Out
Hoog sensitief negatieve testuitslag out!
Sp P In
Hoog specifiek positieve testuitslag in!
Positief voorspellende waarde = ik heb de test gedaan, met een positief testuitslag, hoe groot is de
kans dat het inderdaad een positief geval is.
Negatief voorspellende waarde = ik heb de test gedaan, met een negatief testuitslag, hoe groot is de
kans dat het inderdaad een negatief geval is.
De vooraf kans is de prevalentie van een aandoening
Prevalentie is het voorkomen van een ziekte in een populatie
3
, Volgorde van uitvoering
Lokale inspectie
- Rood (niet bij alle aandoeningen zichtbaar, vrijwel alleen oppervlakkige
- Zwelling gewrichten).
- Vochtig Bij aanwezigheid grote kans op een ontsteking, afwezig betekend niet dat er
- Temperatuur geen ontsteking aanwezig is.
Wat doe je
- Praatje, Plaatje, Daadje
- Vergelijk links-rechts
- Geef correcties als nodig
Actief functieonderzoek
Wat bekijk je?
- Welke beweging maakt de patiënt?
- Hoeveel graden heeft de beweging?
- Hoe verloopt de uitvoering van de beweging? (en waar)
- Hoor je iets tijdens het maken van de beweging? (en waar)
- Hoe ervaart de patiënt de beweging?
(Uitvoeren in een professionele setting)
Passief functieonderzoek
Wat doe je?
- Welke beweging maak je
- Hoeveel graden heeft de beweging?
- Hoor je iets tijdens het maken van de beweging? (en waar)
- Hoe is het eindgevoel?
- Hard extensie elleboog / knie
- Zacht weke delen remt de beweging (flexie elleboog)
- Leeg beweging is nog toegelaten, maar door klachten niet naar de eindstand
- Verend spier komt op lengte te staan
- Stug banden komen op rek (vrijwel altijd)
Weerstandstesten
De weerstandstesten worden vanuit de neutrale stand uitgeoefend, omdat de patiënt hier het beste
de gewenste kracht kan leveren.
Vertel tegen de patiënt dat hij/zij het geteste lichaamsdeel op de plek moet houden terwijl jij (de
therapeut) de tegenovergestelde beweging wilt maken -> kracht naar de tegenovergestelde
beweging.
MRC schaal
0 = geen contractie mogelijk
1 = contractie maar geen beweging
2 = horizontale contractie, niet tegen zwaartekracht in
3 = tegen de zwaartekracht in
4 = lichte weerstand
5 = optimale weerstand
4
Naam: Timo Fransen
Klas: 24F1D1
Vak: Diagnostiek 3
Docent: Yasmaine Karel
1
, Inhoudsopgave
Diagnostiek – Periode 3..........................................................................................................................1
Inhoudsopgave.......................................................................................................................................2
Validiteit.................................................................................................................................................3
Volgorde van uitvoering.........................................................................................................................4
Knie.........................................................................................................................................................6
Voorste kruisband..............................................................................................................................6
Achterste kruisband............................................................................................................................7
Superficiaal mediaal collateraal ligament...........................................................................................8
Posteromediaal complex....................................................................................................................9
Laterale collaterale ligament............................................................................................................10
Posterolaterale complex...................................................................................................................11
Meniscus...........................................................................................................................................12
Kraakbeen.........................................................................................................................................13
Fractuur............................................................................................................................................13
(Gon)Arthrose...................................................................................................................................14
Jumpers knee....................................................................................................................................15
Iliotibiale bandsyndroom..................................................................................................................16
Schouder..............................................................................................................................................17
SAPS / Tendinopathie.......................................................................................................................17
Labrum problematiek / SLAP............................................................................................................19
Anterieure instabiliteit......................................................................................................................21
Scapulaire dyskinesie........................................................................................................................23
AC diagnostiek..................................................................................................................................24
GIRD (Glenohumeral internal rotation disorder)..............................................................................25
Enkel.....................................................................................................................................................26
Enkelband letsel...............................................................................................................................26
Syndesmose letsel............................................................................................................................27
Achillespeesruptuur..........................................................................................................................28
Achillespees tendinopathie..............................................................................................................29
Fractuur............................................................................................................................................30
Talus luxatie......................................................................................................................................31
Uitvoering tentamen schouder.............................................................................................................32
2
, Validiteit
Sensitiviteit = hoe goed kan mijn test alle “positieve” gevallen uit de populatie vissen
Specificiteit = hoe goed kan mijn test alle “negatieve” gevallen uit de populatie vissen
Vals positief = de uitslag van de test is positief, maar eigenlijk zouden ze negatief moeten zijn
Vals negatief = de uitslag van de test is negatief, maar eigenlijk zijn zouden ze positief moeten zijn
Door de drempelaarde van de test te verlagen zullen veel mensen slagen voor de toets. Het voordeel
hiervan is dat iedereen die een voldoende verdiende een voldoende krijgt.
Door de drempelwaarde van de test te verhogen zullen weinig mensen slagen voor de toets. Het
voordeel hiervan is dat iedereen die een onvoldoende verdiende een onvoldoende krijgen.
SnNout met een hoge sensitieve test kunnen we iets met een negatieve testuitslag. Je kan heel
zeker zijn van het negatieve testresultaat. Het nadeel is dat er een hoger risico op een vals positief is.
borstkanker
SpPin met een hoge specifieke test kunnen we iets met een positieve testuitslag. Je kan geel zeker
zijn van het positieve testresultaat. Het nadeel is dat er een hoger risico is op een vals negatief is.
psychiatrische instelling
Sn N Out
Hoog sensitief negatieve testuitslag out!
Sp P In
Hoog specifiek positieve testuitslag in!
Positief voorspellende waarde = ik heb de test gedaan, met een positief testuitslag, hoe groot is de
kans dat het inderdaad een positief geval is.
Negatief voorspellende waarde = ik heb de test gedaan, met een negatief testuitslag, hoe groot is de
kans dat het inderdaad een negatief geval is.
De vooraf kans is de prevalentie van een aandoening
Prevalentie is het voorkomen van een ziekte in een populatie
3
, Volgorde van uitvoering
Lokale inspectie
- Rood (niet bij alle aandoeningen zichtbaar, vrijwel alleen oppervlakkige
- Zwelling gewrichten).
- Vochtig Bij aanwezigheid grote kans op een ontsteking, afwezig betekend niet dat er
- Temperatuur geen ontsteking aanwezig is.
Wat doe je
- Praatje, Plaatje, Daadje
- Vergelijk links-rechts
- Geef correcties als nodig
Actief functieonderzoek
Wat bekijk je?
- Welke beweging maakt de patiënt?
- Hoeveel graden heeft de beweging?
- Hoe verloopt de uitvoering van de beweging? (en waar)
- Hoor je iets tijdens het maken van de beweging? (en waar)
- Hoe ervaart de patiënt de beweging?
(Uitvoeren in een professionele setting)
Passief functieonderzoek
Wat doe je?
- Welke beweging maak je
- Hoeveel graden heeft de beweging?
- Hoor je iets tijdens het maken van de beweging? (en waar)
- Hoe is het eindgevoel?
- Hard extensie elleboog / knie
- Zacht weke delen remt de beweging (flexie elleboog)
- Leeg beweging is nog toegelaten, maar door klachten niet naar de eindstand
- Verend spier komt op lengte te staan
- Stug banden komen op rek (vrijwel altijd)
Weerstandstesten
De weerstandstesten worden vanuit de neutrale stand uitgeoefend, omdat de patiënt hier het beste
de gewenste kracht kan leveren.
Vertel tegen de patiënt dat hij/zij het geteste lichaamsdeel op de plek moet houden terwijl jij (de
therapeut) de tegenovergestelde beweging wilt maken -> kracht naar de tegenovergestelde
beweging.
MRC schaal
0 = geen contractie mogelijk
1 = contractie maar geen beweging
2 = horizontale contractie, niet tegen zwaartekracht in
3 = tegen de zwaartekracht in
4 = lichte weerstand
5 = optimale weerstand
4