Basiskennis taalonderwijs
Landelijke kennisbasis Nederlands
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3: mondelinge taalvaardigheid...................................................................................................... 1
Hoofdstuk 4: woordenschat........................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 5: beginnende geletterdheid......................................................................................................... 4
Hoofdstuk 6: Voortgezet technisch lezen........................................................................................................ 7
Hoofdstuk 7: Begrijpend lezen....................................................................................................................... 9
Hoofdstuk 8: stellen..................................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 9: jeugdliteratuur........................................................................................................................ 10
Hoofdstuk 10: taalbeschouwing................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 11: spelling................................................................................................................................. 12
Hoofdstuk 3: mondelinge taalvaardigheid
Theorieën:
1. Behaviorisme stroming in de psychologie die ervan uitgaat dat kinderen taal leren
door imitatie
Meest frequente woorden worden als eerst geleerd
Goedkeuring van ouders bevorderd geprezen na zeggen “mama”, gaat het
daarna vaker zeggen
2. Creatieve constructietheorie (mentalisme) kinderen beschikken over een
aangeboren taalvermogen waarmee zij op creatieve manier zinnen bouwen
Aanwijzing hiervan is dat kinderen elke willekeurige taal aan kunnen leren
Kind is in staat zelf structuur te ontdekken en kan zelf zinnen vormen die het
nog nooit eerder gehoord heeft.
3. Interactuele benadering aangeboren taalleervermogen is van belang, maar
taalaanbod van omgeving is belangrijk bij het leren van de taal
3.1.2 Taalontwikkeling:
1. Fonologisch niveau is de eerste stap: vormen van spraakklanken
2. Morfologisch niveau: manier waarop een woord gevormd wordt kinderen leren
zich geleidelijk de regels en opbouw van woorden eigen maken “geloopt” wordt
“gelopen”
3. Semantisch niveau: betekenis van woorden dit leren zij niet in 1 keer, ze noemen
bv. In het begin alle dieren “paard”
, 4. Syntactisch niveau: regels die er zijn voor het combineren van woorden kinderen
krijgen langzaam inzicht in grammaticale regels. Eerst korte, onvolledige zinnen
daarna steeds voller.
5. Pragmatisch niveau: gebruik van taal bijvoorbeeld: “zou ik er even langs mogen?”
in plaats van “aan de kant!”
Kind is tijdens de taalontwikkeling bezig op alle niveaus tegelijk.
Taalverwervingsproces van een kind:
1. Prelinguale periode (voortalige periode) 0 tm +/- 1 periode voordat het kind zijn
eerste woordjes spreekt
Communicatie is mogelijk door bv. Huilen
Na +/- 6 weken begint het zich met taal bezig te houden:
o Vocaliseren = klanken produceren die bij moedertaal voorkomen (6
weken). Oefent spraakmechanisme
o Vocaal spel = kind oefent zelf allerlei klanken, ook klanken die in de
moedertaal niet voorkomen (+/- 6 maanden)
o Brabbelen = klankgroepen herhalen, klink als taal, maar heeft geen
betekenis. Ook mamama betekend dus nog niet “mama”. Klanken
die niet in de moedertaal voorkomen worden achterwegen gelaten
(+/- 7 maanden)
2. Linguale periode (talige periode) kind gaat woorden en zinnen als
communicatiemiddel gebruiken. Drie perioden:
1. Vroeglinguale periode (1 tm 2,5) brabbelen gaat langzaam
over in betekenisvol taalgebruik. Taal is nog erg gebonden aan
specifieke context (bv. “bal” bij het aanraken van een bal)
woorden worden vaak nog niet goed uitgesproken.
2. Differentiatiefase (2,5 tot 5) taalgebruik gaat op dat van
volwassenen lijken. Eerder was de ontwikkeling vooral op
fonologisch, semantisch en syntactisch niveau. Vanaf nu ook
morfologisch en pragmatisch.
o Kind komt veel meer in contact met andere personen
en ontwikkeld zo uitgebreider (bv. kinderopvang)
o Overgeneralisaties = taalregels ten onrechte toepassen
(loopte, gevald)
3. Voltooiiingsfase (5 tot 9) niet veel nieuws, processen van
vorige fase worden verder uitgebouwd
o Aan het einde van deze fase beheerst een kind de taal
op dezelfde manier als volwassenen
o Verschil op grootte van woordenschat (met
volwassenen)
o Morfologie met nog veel gebeuren: onregelmatige
woorden en verledentijd zijn lastig.
o Syntactisch: lange zinnen maken en begrijpen van
passieve zinnen
o Pragmatisch: kind kan als volwaardig gesprekspartner
dienen
Landelijke kennisbasis Nederlands
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3: mondelinge taalvaardigheid...................................................................................................... 1
Hoofdstuk 4: woordenschat........................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 5: beginnende geletterdheid......................................................................................................... 4
Hoofdstuk 6: Voortgezet technisch lezen........................................................................................................ 7
Hoofdstuk 7: Begrijpend lezen....................................................................................................................... 9
Hoofdstuk 8: stellen..................................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 9: jeugdliteratuur........................................................................................................................ 10
Hoofdstuk 10: taalbeschouwing................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 11: spelling................................................................................................................................. 12
Hoofdstuk 3: mondelinge taalvaardigheid
Theorieën:
1. Behaviorisme stroming in de psychologie die ervan uitgaat dat kinderen taal leren
door imitatie
Meest frequente woorden worden als eerst geleerd
Goedkeuring van ouders bevorderd geprezen na zeggen “mama”, gaat het
daarna vaker zeggen
2. Creatieve constructietheorie (mentalisme) kinderen beschikken over een
aangeboren taalvermogen waarmee zij op creatieve manier zinnen bouwen
Aanwijzing hiervan is dat kinderen elke willekeurige taal aan kunnen leren
Kind is in staat zelf structuur te ontdekken en kan zelf zinnen vormen die het
nog nooit eerder gehoord heeft.
3. Interactuele benadering aangeboren taalleervermogen is van belang, maar
taalaanbod van omgeving is belangrijk bij het leren van de taal
3.1.2 Taalontwikkeling:
1. Fonologisch niveau is de eerste stap: vormen van spraakklanken
2. Morfologisch niveau: manier waarop een woord gevormd wordt kinderen leren
zich geleidelijk de regels en opbouw van woorden eigen maken “geloopt” wordt
“gelopen”
3. Semantisch niveau: betekenis van woorden dit leren zij niet in 1 keer, ze noemen
bv. In het begin alle dieren “paard”
, 4. Syntactisch niveau: regels die er zijn voor het combineren van woorden kinderen
krijgen langzaam inzicht in grammaticale regels. Eerst korte, onvolledige zinnen
daarna steeds voller.
5. Pragmatisch niveau: gebruik van taal bijvoorbeeld: “zou ik er even langs mogen?”
in plaats van “aan de kant!”
Kind is tijdens de taalontwikkeling bezig op alle niveaus tegelijk.
Taalverwervingsproces van een kind:
1. Prelinguale periode (voortalige periode) 0 tm +/- 1 periode voordat het kind zijn
eerste woordjes spreekt
Communicatie is mogelijk door bv. Huilen
Na +/- 6 weken begint het zich met taal bezig te houden:
o Vocaliseren = klanken produceren die bij moedertaal voorkomen (6
weken). Oefent spraakmechanisme
o Vocaal spel = kind oefent zelf allerlei klanken, ook klanken die in de
moedertaal niet voorkomen (+/- 6 maanden)
o Brabbelen = klankgroepen herhalen, klink als taal, maar heeft geen
betekenis. Ook mamama betekend dus nog niet “mama”. Klanken
die niet in de moedertaal voorkomen worden achterwegen gelaten
(+/- 7 maanden)
2. Linguale periode (talige periode) kind gaat woorden en zinnen als
communicatiemiddel gebruiken. Drie perioden:
1. Vroeglinguale periode (1 tm 2,5) brabbelen gaat langzaam
over in betekenisvol taalgebruik. Taal is nog erg gebonden aan
specifieke context (bv. “bal” bij het aanraken van een bal)
woorden worden vaak nog niet goed uitgesproken.
2. Differentiatiefase (2,5 tot 5) taalgebruik gaat op dat van
volwassenen lijken. Eerder was de ontwikkeling vooral op
fonologisch, semantisch en syntactisch niveau. Vanaf nu ook
morfologisch en pragmatisch.
o Kind komt veel meer in contact met andere personen
en ontwikkeld zo uitgebreider (bv. kinderopvang)
o Overgeneralisaties = taalregels ten onrechte toepassen
(loopte, gevald)
3. Voltooiiingsfase (5 tot 9) niet veel nieuws, processen van
vorige fase worden verder uitgebouwd
o Aan het einde van deze fase beheerst een kind de taal
op dezelfde manier als volwassenen
o Verschil op grootte van woordenschat (met
volwassenen)
o Morfologie met nog veel gebeuren: onregelmatige
woorden en verledentijd zijn lastig.
o Syntactisch: lange zinnen maken en begrijpen van
passieve zinnen
o Pragmatisch: kind kan als volwaardig gesprekspartner
dienen