Week 1
Basisboek Pathologie: Thema 2 Basisbegrippen in de pathologie
- Hoofdstuk 7 Algemene tumorleer, pagina 126-138.
Oncologie = De tak van wetenschap die de tumoren bestudeert.
Tumor = Gezwel.
Wanneer geprikkelde cellen door veranderingen in de kern zich autonoom
(zelfstandig) vermeerderen en gedragen.
* Benigne = Goedaardig.
* Maligne = Kwaadaardig (kanker).
Meestal lager gedifferentieerd en groeien sneller dan goedaardige.
Het ontstaan van een tumor
- Omgevingsfactoren (chemische stoffen)
- Erfelijke factoren (chronische ontstekingen)
Bij borst en prostaat spelen geslachtshormonen een rol.
Virusinfecties kunnen leiden tot baarmoeder hals en leverkanker.
Meestal reageren weefsels op deze prikkels met een snellere celdeling.
Vaak gaat het om de slijmvliezen! Hier werken de prikkels rechtstreeks op in.
Hoog gedifferentieerde cellen = Normale cellen. De cellen hebben zich gespecialiseerd
op hun functie.
* Door prikkels kan iets fout gaan in de celkern Erfelijke informatie die normaal in de
betreffende weefsels niet tot uiting komt, komen tot uiting :
Atypie = Verlies van differentiatie.
Micro-calcificaties = Kleine kalkspatjes, gemaakt door borstkankercellen.
PSA = Prostaat specifiek antigeen, tumormarker door prostaatkanker.
CEA = Carcino embryonaal antigeen, tumormarker door dikke darmkanker.
* Er ontstaat ontregeling in de regulatie van de groeigenen sneller groei van weefsels.
Benigne tumoren
- Goedaardig;
- Groeien autonoom (=zelfstandig);
- Expansieve groei (= Drukt omringende weefsels opzij);
- Afgeronde massa, met vaak een soort kapsel er om heen;
- Geen metastasering (=uitzaaiing);
Omdat lymfevaten en bloedvaten opzij gedrukt worden.
- Nog redelijk gedifferentieerd (= gespecialiseerd);
Lijken meestal nog redelijk op cellen in het weefsel van oorsprong.
- Worden genoemd naar het weefsel waarvan ze afkomstig zijn, met daarachter –oom;
Uitzonderingen: Papilloom (wratvormig gezwel) en poliep (gesteeld
slijmvliesgezwel).
- Ontdekken door een zichtbare of palpabele (= te voelen) zwelling of door klachten
wegens afsluiting van holtes of door verdrukking van omgevende weefsels;
- Pathologisch anatomisch onderzoek is nodig voor de zekerheid van de aard van een
tumor.
Histologisch onderzoek (biopt = een stukje weefsel, wordt onderzocht).
Cellen voor histologie verkrijg je door: Een dikke naald via de huid of door
excisie (= uitsnijden) van de tumor. Of tijdens endoscopisch onderzoek.
Basisboek Pathologie: Thema 2 Basisbegrippen in de pathologie
- Hoofdstuk 7 Algemene tumorleer, pagina 126-138.
Oncologie = De tak van wetenschap die de tumoren bestudeert.
Tumor = Gezwel.
Wanneer geprikkelde cellen door veranderingen in de kern zich autonoom
(zelfstandig) vermeerderen en gedragen.
* Benigne = Goedaardig.
* Maligne = Kwaadaardig (kanker).
Meestal lager gedifferentieerd en groeien sneller dan goedaardige.
Het ontstaan van een tumor
- Omgevingsfactoren (chemische stoffen)
- Erfelijke factoren (chronische ontstekingen)
Bij borst en prostaat spelen geslachtshormonen een rol.
Virusinfecties kunnen leiden tot baarmoeder hals en leverkanker.
Meestal reageren weefsels op deze prikkels met een snellere celdeling.
Vaak gaat het om de slijmvliezen! Hier werken de prikkels rechtstreeks op in.
Hoog gedifferentieerde cellen = Normale cellen. De cellen hebben zich gespecialiseerd
op hun functie.
* Door prikkels kan iets fout gaan in de celkern Erfelijke informatie die normaal in de
betreffende weefsels niet tot uiting komt, komen tot uiting :
Atypie = Verlies van differentiatie.
Micro-calcificaties = Kleine kalkspatjes, gemaakt door borstkankercellen.
PSA = Prostaat specifiek antigeen, tumormarker door prostaatkanker.
CEA = Carcino embryonaal antigeen, tumormarker door dikke darmkanker.
* Er ontstaat ontregeling in de regulatie van de groeigenen sneller groei van weefsels.
Benigne tumoren
- Goedaardig;
- Groeien autonoom (=zelfstandig);
- Expansieve groei (= Drukt omringende weefsels opzij);
- Afgeronde massa, met vaak een soort kapsel er om heen;
- Geen metastasering (=uitzaaiing);
Omdat lymfevaten en bloedvaten opzij gedrukt worden.
- Nog redelijk gedifferentieerd (= gespecialiseerd);
Lijken meestal nog redelijk op cellen in het weefsel van oorsprong.
- Worden genoemd naar het weefsel waarvan ze afkomstig zijn, met daarachter –oom;
Uitzonderingen: Papilloom (wratvormig gezwel) en poliep (gesteeld
slijmvliesgezwel).
- Ontdekken door een zichtbare of palpabele (= te voelen) zwelling of door klachten
wegens afsluiting van holtes of door verdrukking van omgevende weefsels;
- Pathologisch anatomisch onderzoek is nodig voor de zekerheid van de aard van een
tumor.
Histologisch onderzoek (biopt = een stukje weefsel, wordt onderzocht).
Cellen voor histologie verkrijg je door: Een dikke naald via de huid of door
excisie (= uitsnijden) van de tumor. Of tijdens endoscopisch onderzoek.