Samenvatting goederenrecht
Collegeweek 1
Vermogensrecht bestaat uit:
1. Verbintenissenrecht
- Relatieve rechten op personen
gelden tussen bepaald aantal mensen (bruinleen, crediteur/debiteur)
2. Goederenrecht
- Absolute rechten op goederen
jegens iedereen geldend makend (eigendom, pand, vrucht)
JP Blaauwboer-Berlips
Begrippen
Zaken in het goederenrecht:
1. Roerende zaken
2. Onroerende zaken
Registergoederen (art. 3:10 BW)
N.B. Ook beperkte rechten op registergoederen zijn registergoederen
3 eisen:
- Inschrijving is constitutief
vestiging/ overdracht reedt pas in door inschrijving
Bestanddelen (art. 3:4 BW): lijdt geen zelfstandig bestaan
1. Verkeersopvatting (lid 1): wanneer maakt iets deel uit van een zaak
2. Fysieke criterium (lid 2):
- Natrekking: voorwerp wordt bestanddeel van andere zaak en verliest zelfstandigheid
- Zaakvorming: meerdere voorwerpen vormen een voorwerp met een nieuw identiteit
Toekomstige goederen
- Absolute: in gehaal niet bestaan of nog bestanddeel zijn
- Relatieve: geen beschikking over bestaande goederen
Beperkte rechten (art. 3:8 BW):
Nemo plus-beginsel: rechthebbende kan niet meer recht overdragen dan ie al heeft (art. 3:98 BW)
- Opstal (art. 5:101 BW) | Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW) | Hypotheek (art. 3:260 BW) |
Vruchtgebruik (art. 3:201 BW) | Pandrecht (art. 3:236 BW) | Erfpacht (art. 5:85 BW)
Afhankelijke rechten (art. 3:7 BW): rechten die altijd het hoofdrecht volgen
- Pand en hypotheek
afhankelijk van vordering
- Erfdienstbaarheden
afhankelijk van erven
- Opstal
afhankelijk van gebruikersrecht
Goodwill: meerwaarde van een bedrijf als geheel, gelegen in de vaste klantenkring, kwaliteit en
ligging van een pand, kwaliteit van bedrijf en andere materiële en immateriële factoren
- Geen vermogensrecht: omdat het voor een groot deel aan de macht van de ondernemer
onttrekt
Vruchtgebruik (art. 5:1 lid 3 BW)
, Samenvatting goederenrecht
- Natuurlijke vruchten (art. 3:9 lid 1)
bestanddeel van zaak, na afscheiding zelfstandig is
- Burgerlijke vruchten (art. 3:9 lid 2)
rente of huur
- JP Hollande Kruikenboerderij
- Vruchttrekking: geen afzonderlijk voorwerp voor eigendom. Kunnen door opstalrecht
worden overgedragen
Derelictie: prijsgeven van eigendom. Eigenaar verliest eigendomsrecht. Zaak is res
nullius: roerende zaak die tot niemand toebehoort. Wie deze in bezit neemt, krijgt
eigendom
EIGENDOM (art. 5:1 BW)
- Nooit een beperkt recht, maar kan wel bezwaard worden met beperkte rechten
3 BEVOEGDHEDEN
1. Gebruiksrecht (art. 5:1 lid 2) is exclusief
Rekening houden met:
- Andermans rechten
- Wettelijke voorschriften (art. 5:37)
o Onrechtmatig hinder toebrengen door rumoer, trilling, stank etc. Indien
onrechtmatig is hangt dit af van aard, ernst en duur ervan en daardoor
veroorzaakte schade i.v.m. omstandigheden (art. 6:162 jo. 168 BW)
- Beperkingen uit ongeschreven recht: mag niet onrechtmatig handelen (6:162)
- JP Breda/Nijs
2. Beschikkingsbevoegdheid (art. 3:81 en 3:83)
bevoegdheid eigendom te vervreemden of bezwaren
Stopt bij faillissement
3. Revindicatie (art. 5:2 BW)
Misbruik van eigendomsrecht (art. 3:13 BW)
1. Onrechtmatig handelen (art. 6:162 BW)
2. Bevoegdheden pretendeert die bij nadere afweging niet toekomen
EIGENDOMSVERKRIJGING
1. Alle goederen (art. 3:80 lid 1 BW)
- Algemene titel (lid 2)
o Derivatieve verkrijging:: Geheel of deel van vermogen gaat ongedeeld over/
rechtsovergang
o Limitatief: erfopvolging, boedelmening, fusie(2:309), splitsing(2:334a)
- Bijzondere titel (lid 3)
o Deel van een vermogen of specifiek goed
geen overdracht en bloc
o Overdracht (=derivatieve verkrijging)
Op het goed beperkte rechten gaan mee over en kan dus absoluut zijn
Niet verbonden aan persoonlijke eisen voorganger
Uitzonderingen: verbintenissen met absolute kenmerken (pacht, huur) &
verkrijging onder algemene titel waarbij schulden worden overgenomen (erf)
kan wel profiteren van persoonlijke rechten (art. 6:251 BW)
o Verjaring & onteigening
2. Zaken
, Samenvatting goederenrecht
- Roerende zaken: door natrekking, vermenging en zaakvorming
- Onroerende zaken: natrekking
JP Portacabin
VERKRIJGING EN VERLIES VAN GOEDEREN
Originaire (oorspronkelijke) verkrijging:
= Verkrijger ontleent recht niet aan voorganger maar ontstaat nieuw recht
voorgeschiedenis onbelangrijk
- Zaakvorming (art. 5:16 BW)
ontstaan van een nieuwe zaak (JP Hollanders Kuikenboerderij)
Verschillende eigenaren: zie art. 5:14
uitzondering art. 5:16 lid 2: degene die nieuwe zaak vormt wordt eigenaar
- Vermenging (art. 5:15 BW): niet individualiseerbare zaken vermengd bij elkaar
Mede-eigendom indien eigenaar van hoofdzaak niet aan te wijzen valt
Oneigenlijk: geen nieuwe zaak, maar eigenaar van vermengde zaak kan niet
revindiceren
Eigenlijke: zaken verliezen hun volledige identiteit
- Verjaring, verkrijgende verjaring,
- Vinderschap
Bezitter niet te goeder trouw: na 20 jaar eigenaar (art. 3:105 (1) jo. 3:306)
Te goeder trouw is houder (5:5-12): na 1 jaar na afgifte is eigenaar
- Occupatie (toe-eigening): feitelijke macht over roerende zaak krijgt die aan niemand
toebehoort
- Schatvinding (5:13)
= eigendom van vinder en eigenaar van vindplaats
- Natrekking (art. 5:14 jo. 5:20 BW)
= zaak verliest zelfstandigheid door bestanddeel te worden
o Door bestanddeelvorming
o Door bestanddeelvorming van roerende zaken door onroerend
directe verticale natrekking: eigenaar van stuk grond is tevens eigenaar van
gebouwen/ beplantingen
JP Depex & ProRail/Rijswijk
JP Wandelende wilg: verticale natrekking vindt plaats indien gebouw wordt
nagetrokken door grond. Indien gebouw hoort tot onroerende zaak van ander,
kan deze niet worden nagetrokken
Derivatieve (afgeleide) verkrijging:
- Verkrijger ontleent recht aan rechtsvoorganger door rechtsovergang
oud recht ontleend aan ander recht/ voorgeschiedenis werkt door
VB: overdracht, erfopvolging
Nemo plus-beginsel: niemand kan recht op ander overdragen dan hij zelf heeft
Verlies van goederen (art. 3:80 lid 4 BW):
- Absoluut: goed gaat teniet
VB: voldoening van vordering
- Relatief: ander wordt rechthebbende op goed
VERKRIJGING DOOR VERJARING
BIJZONDERE TITEL
Verkrijgende (acquisitieve) verjaring: ten gunste van de bezitter te goeder trouw (art. 3:99
BW):
1. Onafgebroken bezit
Collegeweek 1
Vermogensrecht bestaat uit:
1. Verbintenissenrecht
- Relatieve rechten op personen
gelden tussen bepaald aantal mensen (bruinleen, crediteur/debiteur)
2. Goederenrecht
- Absolute rechten op goederen
jegens iedereen geldend makend (eigendom, pand, vrucht)
JP Blaauwboer-Berlips
Begrippen
Zaken in het goederenrecht:
1. Roerende zaken
2. Onroerende zaken
Registergoederen (art. 3:10 BW)
N.B. Ook beperkte rechten op registergoederen zijn registergoederen
3 eisen:
- Inschrijving is constitutief
vestiging/ overdracht reedt pas in door inschrijving
Bestanddelen (art. 3:4 BW): lijdt geen zelfstandig bestaan
1. Verkeersopvatting (lid 1): wanneer maakt iets deel uit van een zaak
2. Fysieke criterium (lid 2):
- Natrekking: voorwerp wordt bestanddeel van andere zaak en verliest zelfstandigheid
- Zaakvorming: meerdere voorwerpen vormen een voorwerp met een nieuw identiteit
Toekomstige goederen
- Absolute: in gehaal niet bestaan of nog bestanddeel zijn
- Relatieve: geen beschikking over bestaande goederen
Beperkte rechten (art. 3:8 BW):
Nemo plus-beginsel: rechthebbende kan niet meer recht overdragen dan ie al heeft (art. 3:98 BW)
- Opstal (art. 5:101 BW) | Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW) | Hypotheek (art. 3:260 BW) |
Vruchtgebruik (art. 3:201 BW) | Pandrecht (art. 3:236 BW) | Erfpacht (art. 5:85 BW)
Afhankelijke rechten (art. 3:7 BW): rechten die altijd het hoofdrecht volgen
- Pand en hypotheek
afhankelijk van vordering
- Erfdienstbaarheden
afhankelijk van erven
- Opstal
afhankelijk van gebruikersrecht
Goodwill: meerwaarde van een bedrijf als geheel, gelegen in de vaste klantenkring, kwaliteit en
ligging van een pand, kwaliteit van bedrijf en andere materiële en immateriële factoren
- Geen vermogensrecht: omdat het voor een groot deel aan de macht van de ondernemer
onttrekt
Vruchtgebruik (art. 5:1 lid 3 BW)
, Samenvatting goederenrecht
- Natuurlijke vruchten (art. 3:9 lid 1)
bestanddeel van zaak, na afscheiding zelfstandig is
- Burgerlijke vruchten (art. 3:9 lid 2)
rente of huur
- JP Hollande Kruikenboerderij
- Vruchttrekking: geen afzonderlijk voorwerp voor eigendom. Kunnen door opstalrecht
worden overgedragen
Derelictie: prijsgeven van eigendom. Eigenaar verliest eigendomsrecht. Zaak is res
nullius: roerende zaak die tot niemand toebehoort. Wie deze in bezit neemt, krijgt
eigendom
EIGENDOM (art. 5:1 BW)
- Nooit een beperkt recht, maar kan wel bezwaard worden met beperkte rechten
3 BEVOEGDHEDEN
1. Gebruiksrecht (art. 5:1 lid 2) is exclusief
Rekening houden met:
- Andermans rechten
- Wettelijke voorschriften (art. 5:37)
o Onrechtmatig hinder toebrengen door rumoer, trilling, stank etc. Indien
onrechtmatig is hangt dit af van aard, ernst en duur ervan en daardoor
veroorzaakte schade i.v.m. omstandigheden (art. 6:162 jo. 168 BW)
- Beperkingen uit ongeschreven recht: mag niet onrechtmatig handelen (6:162)
- JP Breda/Nijs
2. Beschikkingsbevoegdheid (art. 3:81 en 3:83)
bevoegdheid eigendom te vervreemden of bezwaren
Stopt bij faillissement
3. Revindicatie (art. 5:2 BW)
Misbruik van eigendomsrecht (art. 3:13 BW)
1. Onrechtmatig handelen (art. 6:162 BW)
2. Bevoegdheden pretendeert die bij nadere afweging niet toekomen
EIGENDOMSVERKRIJGING
1. Alle goederen (art. 3:80 lid 1 BW)
- Algemene titel (lid 2)
o Derivatieve verkrijging:: Geheel of deel van vermogen gaat ongedeeld over/
rechtsovergang
o Limitatief: erfopvolging, boedelmening, fusie(2:309), splitsing(2:334a)
- Bijzondere titel (lid 3)
o Deel van een vermogen of specifiek goed
geen overdracht en bloc
o Overdracht (=derivatieve verkrijging)
Op het goed beperkte rechten gaan mee over en kan dus absoluut zijn
Niet verbonden aan persoonlijke eisen voorganger
Uitzonderingen: verbintenissen met absolute kenmerken (pacht, huur) &
verkrijging onder algemene titel waarbij schulden worden overgenomen (erf)
kan wel profiteren van persoonlijke rechten (art. 6:251 BW)
o Verjaring & onteigening
2. Zaken
, Samenvatting goederenrecht
- Roerende zaken: door natrekking, vermenging en zaakvorming
- Onroerende zaken: natrekking
JP Portacabin
VERKRIJGING EN VERLIES VAN GOEDEREN
Originaire (oorspronkelijke) verkrijging:
= Verkrijger ontleent recht niet aan voorganger maar ontstaat nieuw recht
voorgeschiedenis onbelangrijk
- Zaakvorming (art. 5:16 BW)
ontstaan van een nieuwe zaak (JP Hollanders Kuikenboerderij)
Verschillende eigenaren: zie art. 5:14
uitzondering art. 5:16 lid 2: degene die nieuwe zaak vormt wordt eigenaar
- Vermenging (art. 5:15 BW): niet individualiseerbare zaken vermengd bij elkaar
Mede-eigendom indien eigenaar van hoofdzaak niet aan te wijzen valt
Oneigenlijk: geen nieuwe zaak, maar eigenaar van vermengde zaak kan niet
revindiceren
Eigenlijke: zaken verliezen hun volledige identiteit
- Verjaring, verkrijgende verjaring,
- Vinderschap
Bezitter niet te goeder trouw: na 20 jaar eigenaar (art. 3:105 (1) jo. 3:306)
Te goeder trouw is houder (5:5-12): na 1 jaar na afgifte is eigenaar
- Occupatie (toe-eigening): feitelijke macht over roerende zaak krijgt die aan niemand
toebehoort
- Schatvinding (5:13)
= eigendom van vinder en eigenaar van vindplaats
- Natrekking (art. 5:14 jo. 5:20 BW)
= zaak verliest zelfstandigheid door bestanddeel te worden
o Door bestanddeelvorming
o Door bestanddeelvorming van roerende zaken door onroerend
directe verticale natrekking: eigenaar van stuk grond is tevens eigenaar van
gebouwen/ beplantingen
JP Depex & ProRail/Rijswijk
JP Wandelende wilg: verticale natrekking vindt plaats indien gebouw wordt
nagetrokken door grond. Indien gebouw hoort tot onroerende zaak van ander,
kan deze niet worden nagetrokken
Derivatieve (afgeleide) verkrijging:
- Verkrijger ontleent recht aan rechtsvoorganger door rechtsovergang
oud recht ontleend aan ander recht/ voorgeschiedenis werkt door
VB: overdracht, erfopvolging
Nemo plus-beginsel: niemand kan recht op ander overdragen dan hij zelf heeft
Verlies van goederen (art. 3:80 lid 4 BW):
- Absoluut: goed gaat teniet
VB: voldoening van vordering
- Relatief: ander wordt rechthebbende op goed
VERKRIJGING DOOR VERJARING
BIJZONDERE TITEL
Verkrijgende (acquisitieve) verjaring: ten gunste van de bezitter te goeder trouw (art. 3:99
BW):
1. Onafgebroken bezit