Biologie hoofdstuk 1
§1 Organismen: levend wezen
6 levenskenmerken
- Voeden
- Groeien
- Ademen
- Uitscheiden
- Reageren
- Voorplanten
Soort: als de nakomelingen er van ook vruchtbaar zijn.
Ordening: Bij het indelen kijken biologen naar overeenkomsten en verschillen tussen organisme op
aarde.
Cellen: kleinste bouwstenen waar organisme is opgebouwd.
Rijk: groep organisme
- Dierenrijk
- Planten rijk
- Schimmelrijk
- Bacterie rijk
Verschil is grootte, vorm en bouw.
Gewervelde dieren-> wervelkolom
Kenmerk: iets waar je een organisme aan herkent.
Determineren: opzoeken van een naam, dit doe je door een zoekkaart of determineertabel.
Bij platen -> flora
Wetenschappelijk naam -> eerste naam geslachtsnaam, 2 e soortaanduiding (bijv. Panthera leo)
§2 Plant
De organen
- Wortel
- Stengel
- Blad
- Bloem
Cellen met de zelfde vorm en taak: weefsel
Celwand: stevige laag van cellulose
Celmembraan: dun vlies wat er voor zorgt wat erin en uit gaat
Cytoplasma: stroperige stof
Celkern ->in DNA: bepaald erfelijk eigenschappen.
,Bladgroenkorrels: vind fotosynthese in plaats
Vacuole: zit vol met wat en daardoor is de cel stevig.
Huidmondje: verdamping van water regelen
Kruidachtige plant: stevig door water
Houtachtige: vooral houdcellen met dikke celwand van houtstof, volgroeide houtcellen gaan dood,
tussenwanden enz. verdwijnen daardoor komen buisjes.
Duizenden buisjes samen zijn stevig.
Bladeren: water nodig voor stevigheid.
§3 Cellen -> weefsel -> organen -> orgaanstelsel -> organisme
Organen met zelfde taak: orgaanstelsel
Weefsel: groep cellen van de zelfde taak
Dierlijke cel
- Celmembraan
- Cytoplasma
- Celkern
Dierlijke cel gen stevige celwand zoals planten cel.
Spiercel: lang dun en kunnen samentrekken
Zenuwcellen: lang en sturen berichten door het lichaam
Beencellen: klein veel uitsteeksels.
Inwendig skelet: skelet in het lichaam
Uitwendig skelet: harde buitkant en zachte binnenkant.
Eencellig dier: pantoffeldiertje, bewegen en doen alles met trilhaartjes. Algen is ook vb.
§4 Schimmel: netwerk van draden. -> zwamvlok
Sporenkapsels: spore is een voortplantingscel van een schimmel.
Schimmel is opgebouwd uit
- Celwand
- Celmembraan
- Cytoplasma
- Vacuole
- Celkern
Bacterie is opgebouwd uit
- Celwand
- Celmembraan
- Cytoplasma
,Bacterie heeft geen celkern maar chromosomen liggen als losse draden in het cytoplasma.
Leven van resten van planten en dieren.
Ze zorgen voor mineralen in bodem als ze het verteerd hebben
Mineralen: meststoffen voor planten.
Schimmels voorplanten-> spore
Bacteriën door-> celdeling
Voedselinfectie: komt door het eten of drinken van iets wat bedorven is.
Conserveren: het langer houdbaar maken van een product.
- Drogen
- Verhitten
- Koelen
- Conserveermiddel toevoegen
- Vacuüm of met speciaal gas verpakken.
§5 water + koolstofdioxide -> glucose + zuurstof
vetten
Glucose zetmeel
Eiwitten
Maken kan moet met mineralen
PCARM!
§6 Biotechniek: is het door mensen gebruiken van levende wezens om ze met een bepaalde techniek
voor je te laten werken.
Gist: een cellig schimmel leeft van suiker en meel, hei scheid co2 en alcohol.
Penicilline: antibiotica-> geneesmiddel dat bacteriën dood.
Melkzuur bacteriën: leven van suiker in melk en scheiden de melkzuur.
Veredelen: planten/ dieren met gewenste eigenschappen veder voortplanten. Moderne
biotechnologie: kunnen ze de cellen precies maken zoals ze willen.
Genetische modificatie: veranderen van een DNA
, Biologie hoofdstuk 2
§1 skelet: alle botten bij elkaar
Schedel: botten in je hoofd
Borstkast: bestaat uit ribben, borst been en deel wervelkolom
Bekken: horen bij heupbeenderen
Ledematen: je benen en armen
4 taken heeft je skelet
- Stevigheid aan lichaam geven
- Vorm geven aan je lichaam
- Kwetsbare organen beschermen
- Beweging mogelijk maken
Ellepijp zit aan de kant van je pink (ezelsbruggetje)
2 soorten botten/ beenderen
- Pijpbeenderen: deze zijn rond en dienen voorval voor stevigheid en houd je lichaam rechtop
- Platte beenderen: beschermen kwetsbare organen.
Kraakbeen: hierdoor kan het soepel langs elkaar bewegen en slijt het bot minder
Beenvlies: hier zitten bloedvaten en zenuwen in
Beenweefsel: harde laag, oftewel bot
Geel beenmerg: vet in op geslagen
Beenweefsel: bestaat uit beencellen, groeit in ringen, daarom is het sterk.
Tussencelstof: zit veel kalk in en een beetje lijmstof
Kalk: keihard Lijmstof: soepel
Kraakbeenweefsel: bestaat uit kraakbeencellen met daartussen gelei achtige tussen cel stof
Groeischijf: laag je kraakbeencellen wat overblijft als kraakbeen oplost in beenweefsel
§2 wervelkolom is gebouwd: om schokken te dempen, dit door
- Door de dubbele S vorm, deze veert mee
- Door kraakbeenschijven, ook deze veert mee
Lichaamshouding: is de manier waarop je zit, staat en beweegt
§3 botten zitten op 4 manieren aan elkaar
- Gewrichten: meest bewegelijke verbinding
- Krakbeenverbinding: buigzaam, daardoor makkelijk ademhalen
- Vergroeiing: je kunt niet bewegen
- Naadverbinding: de zigzaglijntjes in je schedel
Gewrichtskapsel: zorgt dat botten bij elkaar blijven
§1 Organismen: levend wezen
6 levenskenmerken
- Voeden
- Groeien
- Ademen
- Uitscheiden
- Reageren
- Voorplanten
Soort: als de nakomelingen er van ook vruchtbaar zijn.
Ordening: Bij het indelen kijken biologen naar overeenkomsten en verschillen tussen organisme op
aarde.
Cellen: kleinste bouwstenen waar organisme is opgebouwd.
Rijk: groep organisme
- Dierenrijk
- Planten rijk
- Schimmelrijk
- Bacterie rijk
Verschil is grootte, vorm en bouw.
Gewervelde dieren-> wervelkolom
Kenmerk: iets waar je een organisme aan herkent.
Determineren: opzoeken van een naam, dit doe je door een zoekkaart of determineertabel.
Bij platen -> flora
Wetenschappelijk naam -> eerste naam geslachtsnaam, 2 e soortaanduiding (bijv. Panthera leo)
§2 Plant
De organen
- Wortel
- Stengel
- Blad
- Bloem
Cellen met de zelfde vorm en taak: weefsel
Celwand: stevige laag van cellulose
Celmembraan: dun vlies wat er voor zorgt wat erin en uit gaat
Cytoplasma: stroperige stof
Celkern ->in DNA: bepaald erfelijk eigenschappen.
,Bladgroenkorrels: vind fotosynthese in plaats
Vacuole: zit vol met wat en daardoor is de cel stevig.
Huidmondje: verdamping van water regelen
Kruidachtige plant: stevig door water
Houtachtige: vooral houdcellen met dikke celwand van houtstof, volgroeide houtcellen gaan dood,
tussenwanden enz. verdwijnen daardoor komen buisjes.
Duizenden buisjes samen zijn stevig.
Bladeren: water nodig voor stevigheid.
§3 Cellen -> weefsel -> organen -> orgaanstelsel -> organisme
Organen met zelfde taak: orgaanstelsel
Weefsel: groep cellen van de zelfde taak
Dierlijke cel
- Celmembraan
- Cytoplasma
- Celkern
Dierlijke cel gen stevige celwand zoals planten cel.
Spiercel: lang dun en kunnen samentrekken
Zenuwcellen: lang en sturen berichten door het lichaam
Beencellen: klein veel uitsteeksels.
Inwendig skelet: skelet in het lichaam
Uitwendig skelet: harde buitkant en zachte binnenkant.
Eencellig dier: pantoffeldiertje, bewegen en doen alles met trilhaartjes. Algen is ook vb.
§4 Schimmel: netwerk van draden. -> zwamvlok
Sporenkapsels: spore is een voortplantingscel van een schimmel.
Schimmel is opgebouwd uit
- Celwand
- Celmembraan
- Cytoplasma
- Vacuole
- Celkern
Bacterie is opgebouwd uit
- Celwand
- Celmembraan
- Cytoplasma
,Bacterie heeft geen celkern maar chromosomen liggen als losse draden in het cytoplasma.
Leven van resten van planten en dieren.
Ze zorgen voor mineralen in bodem als ze het verteerd hebben
Mineralen: meststoffen voor planten.
Schimmels voorplanten-> spore
Bacteriën door-> celdeling
Voedselinfectie: komt door het eten of drinken van iets wat bedorven is.
Conserveren: het langer houdbaar maken van een product.
- Drogen
- Verhitten
- Koelen
- Conserveermiddel toevoegen
- Vacuüm of met speciaal gas verpakken.
§5 water + koolstofdioxide -> glucose + zuurstof
vetten
Glucose zetmeel
Eiwitten
Maken kan moet met mineralen
PCARM!
§6 Biotechniek: is het door mensen gebruiken van levende wezens om ze met een bepaalde techniek
voor je te laten werken.
Gist: een cellig schimmel leeft van suiker en meel, hei scheid co2 en alcohol.
Penicilline: antibiotica-> geneesmiddel dat bacteriën dood.
Melkzuur bacteriën: leven van suiker in melk en scheiden de melkzuur.
Veredelen: planten/ dieren met gewenste eigenschappen veder voortplanten. Moderne
biotechnologie: kunnen ze de cellen precies maken zoals ze willen.
Genetische modificatie: veranderen van een DNA
, Biologie hoofdstuk 2
§1 skelet: alle botten bij elkaar
Schedel: botten in je hoofd
Borstkast: bestaat uit ribben, borst been en deel wervelkolom
Bekken: horen bij heupbeenderen
Ledematen: je benen en armen
4 taken heeft je skelet
- Stevigheid aan lichaam geven
- Vorm geven aan je lichaam
- Kwetsbare organen beschermen
- Beweging mogelijk maken
Ellepijp zit aan de kant van je pink (ezelsbruggetje)
2 soorten botten/ beenderen
- Pijpbeenderen: deze zijn rond en dienen voorval voor stevigheid en houd je lichaam rechtop
- Platte beenderen: beschermen kwetsbare organen.
Kraakbeen: hierdoor kan het soepel langs elkaar bewegen en slijt het bot minder
Beenvlies: hier zitten bloedvaten en zenuwen in
Beenweefsel: harde laag, oftewel bot
Geel beenmerg: vet in op geslagen
Beenweefsel: bestaat uit beencellen, groeit in ringen, daarom is het sterk.
Tussencelstof: zit veel kalk in en een beetje lijmstof
Kalk: keihard Lijmstof: soepel
Kraakbeenweefsel: bestaat uit kraakbeencellen met daartussen gelei achtige tussen cel stof
Groeischijf: laag je kraakbeencellen wat overblijft als kraakbeen oplost in beenweefsel
§2 wervelkolom is gebouwd: om schokken te dempen, dit door
- Door de dubbele S vorm, deze veert mee
- Door kraakbeenschijven, ook deze veert mee
Lichaamshouding: is de manier waarop je zit, staat en beweegt
§3 botten zitten op 4 manieren aan elkaar
- Gewrichten: meest bewegelijke verbinding
- Krakbeenverbinding: buigzaam, daardoor makkelijk ademhalen
- Vergroeiing: je kunt niet bewegen
- Naadverbinding: de zigzaglijntjes in je schedel
Gewrichtskapsel: zorgt dat botten bij elkaar blijven