Junqueira’s Basic Histology
Week 8 – p. 237-253
Bloed > bestaat uit bloedcellen en bloedplasma. De bestanddelen in het bloedplasma zijn erytrocyten
(rode bloedcellen), leukocyten (witte bloedcellen) en bloedplaatjes (trombocyten). Als bloed de
bloedsomloop verlaat, reageren plasma-eiwitten met elkaar om een ‘klontje’ te vormen (gevormde
elementen + serum). Het bloed gaat dan stollen. De samenstelling van serum is in grote trekken
vergelijkbaar met die van bloedplasma, behalve dat de stollingseiwitten (zoals fibrinogeen)
grotendeels verwijderd zijn. Het serum bevat dus noch cellen (erytrocyten en leukocyten) noch
stollingsfactoren.
Bloed kan worden verdeeld in verschillende sentimenten (stolling wordt voorkomen door toevoeging
van antistollingsmiddelen zoals heparine of citraat). De hematocriet (hematocrietwaarde) is het
volume van het bloed dat door de rode bloedcellen
(erytrocyten) wordt ingenomen, weergegeven als een fractie
van het totale bloedvolume (ong 44%). Onderin verzamelen
dan de rode bloedcellen, daarbovenop de witte bloedcellen
(leukocyten; deze laag heet de buffy coat, ong 1%) en bovenin de
buis het plasma (55%).
Zuurstof en CO2 worden gebonden aan hemoglobine in de
erythrocyten.
Functies erytrocyten:
Zuurstoftransport
Koolzuurtransport
Transport van hormonen
Transport van voedingsstoffen:
o Suikers,
o Aminozuren,
o Mineralen,
o Vitamines
Verdediging tegen indringers:
o Cellulaire immuniteit
o Humorale immuniteit, met behulp van het
Complementsysteem
Antistoffen
Stolling van bloed bij verwondingen
Transport van warmte met name bij dieren met een constante lichaamstemperatuur
Bloedplasma eiwitten:
- Albumine: gemaakt in de lever, in stand houden van osmotische druk in bloed
- Globulines (alfa en bèta-globulines): gemaakt in de lever en andere cellen, transport stoffen
en wateraanzuigende functie (water blijft in bloedvaten en lekt niet)
- Immunoglobulines (antilichamen of gammaglobulines)
- Fibrinogeen: gemaakt in de lever, stollingsfactor
- Aanvullende eiwitten
Week 8 – p. 237-253
Bloed > bestaat uit bloedcellen en bloedplasma. De bestanddelen in het bloedplasma zijn erytrocyten
(rode bloedcellen), leukocyten (witte bloedcellen) en bloedplaatjes (trombocyten). Als bloed de
bloedsomloop verlaat, reageren plasma-eiwitten met elkaar om een ‘klontje’ te vormen (gevormde
elementen + serum). Het bloed gaat dan stollen. De samenstelling van serum is in grote trekken
vergelijkbaar met die van bloedplasma, behalve dat de stollingseiwitten (zoals fibrinogeen)
grotendeels verwijderd zijn. Het serum bevat dus noch cellen (erytrocyten en leukocyten) noch
stollingsfactoren.
Bloed kan worden verdeeld in verschillende sentimenten (stolling wordt voorkomen door toevoeging
van antistollingsmiddelen zoals heparine of citraat). De hematocriet (hematocrietwaarde) is het
volume van het bloed dat door de rode bloedcellen
(erytrocyten) wordt ingenomen, weergegeven als een fractie
van het totale bloedvolume (ong 44%). Onderin verzamelen
dan de rode bloedcellen, daarbovenop de witte bloedcellen
(leukocyten; deze laag heet de buffy coat, ong 1%) en bovenin de
buis het plasma (55%).
Zuurstof en CO2 worden gebonden aan hemoglobine in de
erythrocyten.
Functies erytrocyten:
Zuurstoftransport
Koolzuurtransport
Transport van hormonen
Transport van voedingsstoffen:
o Suikers,
o Aminozuren,
o Mineralen,
o Vitamines
Verdediging tegen indringers:
o Cellulaire immuniteit
o Humorale immuniteit, met behulp van het
Complementsysteem
Antistoffen
Stolling van bloed bij verwondingen
Transport van warmte met name bij dieren met een constante lichaamstemperatuur
Bloedplasma eiwitten:
- Albumine: gemaakt in de lever, in stand houden van osmotische druk in bloed
- Globulines (alfa en bèta-globulines): gemaakt in de lever en andere cellen, transport stoffen
en wateraanzuigende functie (water blijft in bloedvaten en lekt niet)
- Immunoglobulines (antilichamen of gammaglobulines)
- Fibrinogeen: gemaakt in de lever, stollingsfactor
- Aanvullende eiwitten