In de vierde eeuw n.Chr. →de Grote Volksverhuizingen plaats→Europa. In de gebieden in
het westen van Europa waar de Romeinen de baas waren, namen nu Germaanse stammen
(zoals de Franken, Saksen, Juten, Vandalen en Friezen) over. Deze stammen hadden
eeuwen regelmatig oorlog met elkaar.
In 481 werd Clovis koning van de Franken. Onder zijn leiding ontstond het Frankische Rijk
dat het sterkste koninkrijk van West-Europa werd. Clovis bekeerde zich tot het christendom.
Ook de bevolking van het Frankische Rijk werd christen. Na Clovis' dood viel het Frankische
Rijk uiteen. Het rijk werd onder zijn vier zonen verdeeld.
Na opnieuw eeuwen van oorlog werd Karel de Grote in 768 tot koning van de Franken
gekroond. Hij breidde het Frankische Rijk flink uit. Hij versloeg de Friezen en de Saksen. Hij
deed ook zijn best deze stammen tot het christendom te bekeren. Aan deze christenplicht
werd Karel regelmatig herinnerd door priesters en monniken. Die maakten deel uit van de
geestelijkheid. In de standenmaatschappij van de middeleeuwen stond de geestelijkheid
in theorie boven de andere standen, omdat de geestelijken dichter bij God zouden staan.
In 795 werd Leo III gekozen als paus. Er waren in Rome veel opstanden. Daarom zocht Leo
III hulp bij Karel de Grote. Koning Karel besloot om de paus te helpen. Karel trok met zijn
leger op naar Rome en wist de rust te herstellen. Leo III was zo tevreden dat hij Karel de
Grote in 800 tot keizer kroonde.
Karel de Grote was koning van een groot rijk zonder een duidelijke hoofdstad. Karel trok met
zijn hofhouding door zijn gebieden om de wetten en regels bekend te maken en te
handhaven. Dit was erg onhandig om te besturen. Ook was er geen geld om een permanent
leger te betalen, om de rust te bewaren in Karel de Grote’s rijk. Daarom besloot Karel de
Grote om het leenstelsel in zijn rijk te gebruiken. Dit leenstelsel noemen we ook we het
feodalisme. Dit is hoe het werkt↓:
Karel de Grote was de koning/keizer en daarmee de leenheer van het rijk. Bij het bestuur
van zijn rijk werd hij geholpen door de adel. Edelen, zoals hertogen en graven, hielpen Karel
de Grote met het voeren van oorlog, het besturen van het land en het innen van belastingen.
In ruil hiervoor leende Karel hen een gebied in zijn rijk uit. De mannen die een stuk grond
van de koning leende heten leenmannen. Sommige edelen traden bij de koning in dienst als
ridder. Deze ridders kregen de titel vazal en stonden de vorst bij met raad en (krijgs)daad. Er
waren ook geestelijken vazal.
De belastingen werden opgelegd aan de boeren. Die betaalden in natura: in de vorm van
een deel van hun oogst of door werk te verlenen voor de leenheer. Zo hadden ook de edelen
het westen van Europa waar de Romeinen de baas waren, namen nu Germaanse stammen
(zoals de Franken, Saksen, Juten, Vandalen en Friezen) over. Deze stammen hadden
eeuwen regelmatig oorlog met elkaar.
In 481 werd Clovis koning van de Franken. Onder zijn leiding ontstond het Frankische Rijk
dat het sterkste koninkrijk van West-Europa werd. Clovis bekeerde zich tot het christendom.
Ook de bevolking van het Frankische Rijk werd christen. Na Clovis' dood viel het Frankische
Rijk uiteen. Het rijk werd onder zijn vier zonen verdeeld.
Na opnieuw eeuwen van oorlog werd Karel de Grote in 768 tot koning van de Franken
gekroond. Hij breidde het Frankische Rijk flink uit. Hij versloeg de Friezen en de Saksen. Hij
deed ook zijn best deze stammen tot het christendom te bekeren. Aan deze christenplicht
werd Karel regelmatig herinnerd door priesters en monniken. Die maakten deel uit van de
geestelijkheid. In de standenmaatschappij van de middeleeuwen stond de geestelijkheid
in theorie boven de andere standen, omdat de geestelijken dichter bij God zouden staan.
In 795 werd Leo III gekozen als paus. Er waren in Rome veel opstanden. Daarom zocht Leo
III hulp bij Karel de Grote. Koning Karel besloot om de paus te helpen. Karel trok met zijn
leger op naar Rome en wist de rust te herstellen. Leo III was zo tevreden dat hij Karel de
Grote in 800 tot keizer kroonde.
Karel de Grote was koning van een groot rijk zonder een duidelijke hoofdstad. Karel trok met
zijn hofhouding door zijn gebieden om de wetten en regels bekend te maken en te
handhaven. Dit was erg onhandig om te besturen. Ook was er geen geld om een permanent
leger te betalen, om de rust te bewaren in Karel de Grote’s rijk. Daarom besloot Karel de
Grote om het leenstelsel in zijn rijk te gebruiken. Dit leenstelsel noemen we ook we het
feodalisme. Dit is hoe het werkt↓:
Karel de Grote was de koning/keizer en daarmee de leenheer van het rijk. Bij het bestuur
van zijn rijk werd hij geholpen door de adel. Edelen, zoals hertogen en graven, hielpen Karel
de Grote met het voeren van oorlog, het besturen van het land en het innen van belastingen.
In ruil hiervoor leende Karel hen een gebied in zijn rijk uit. De mannen die een stuk grond
van de koning leende heten leenmannen. Sommige edelen traden bij de koning in dienst als
ridder. Deze ridders kregen de titel vazal en stonden de vorst bij met raad en (krijgs)daad. Er
waren ook geestelijken vazal.
De belastingen werden opgelegd aan de boeren. Die betaalden in natura: in de vorm van
een deel van hun oogst of door werk te verlenen voor de leenheer. Zo hadden ook de edelen