DNA Havo 5 Bijles
Basisstof 1: De bouw en functie van DNA
Genoom: al het erfelijk materiaal in een organisme, bevindt zich in celkernen, mitochondriën en
chloroplasten.
Chromosomen: lange dunne draden in de celkern met erfelijke informatie.
- Ze zijn goed zichtbaar op een microscopische foto omdat ze zich in een bepaald stadium van de
celcyclus spiraliseren (oprollen)
Genoom prokaryoten:
- Circulair DNA
- Bevat plasmiden: ringvormige stukjes DNA die coderen voor extra eigenschappen
DNA:
- Dubbele helix met daartussen stikstofbasen (A tegenover T en C tegenover G)
- DNA nucleotide: desoxyribose (suikergroep), fosfaatgroep en stikstofbase
- Kan de celkern niet verlaten
RNA:
- Enkele streng van nucleotiden met uracil (U) ipv thymine (T) (A tegenover U en C tegenover G)
- RNA nucleotide: ribose, fosfaatgroep en stikstofbase
- Kan de celkern wel verlaten
DNA-sequentie: de volgorde van de nucleotiden van een DNA-molecuul, deze volgorde bepaalt welke
eiwitten er gemaakt worden
Gen: deel van het DNA-molecuul dat de sequentie bevat voor de eiwitproductie van één of meer
eiwitten in de ribosomen
De weg van DNA naar eiwit: DNA -> transcriptie -> RNA -> translatie -> aminozuurketen -> eiwit
DNA kan de celkern niet uit, maar dit is wel nodig voor het produceren van eiwitten. Hiervoor is
transcriptie nodig: er wordt een kopie gemaakt van het benodigde stukje DNA, in de vorm van RNA
(enkele streng, deze kan wel de celkern uit). RNA-molecuul verlaat de celkern en komt in het
endoplasmatisch reticulum met daarop ribosomen. De ribosomen lezen het RNA-molecuul af en vertalen
het tot een aminozuurketen: dit heet translatie. Het aminozuurketen gaat naar het Golgi-apparaat en
hier wordt de secundaire structuur aan het eiwit gegeven.
Basisstof 2: DNA replicatie
DNA-replicatie: het kopiëren van DNA, vindt plaats tijdens de S-fase van de celcyclus
1. Helicase: enzym dat de twee DNA-strengen uit elkaar ritst.
2. DNA-polymerase: maakt een nieuwe streng aan beide uit elkaar geritste strengen, deze worden
gebruikt als voorbeeld
Basisstof 1: De bouw en functie van DNA
Genoom: al het erfelijk materiaal in een organisme, bevindt zich in celkernen, mitochondriën en
chloroplasten.
Chromosomen: lange dunne draden in de celkern met erfelijke informatie.
- Ze zijn goed zichtbaar op een microscopische foto omdat ze zich in een bepaald stadium van de
celcyclus spiraliseren (oprollen)
Genoom prokaryoten:
- Circulair DNA
- Bevat plasmiden: ringvormige stukjes DNA die coderen voor extra eigenschappen
DNA:
- Dubbele helix met daartussen stikstofbasen (A tegenover T en C tegenover G)
- DNA nucleotide: desoxyribose (suikergroep), fosfaatgroep en stikstofbase
- Kan de celkern niet verlaten
RNA:
- Enkele streng van nucleotiden met uracil (U) ipv thymine (T) (A tegenover U en C tegenover G)
- RNA nucleotide: ribose, fosfaatgroep en stikstofbase
- Kan de celkern wel verlaten
DNA-sequentie: de volgorde van de nucleotiden van een DNA-molecuul, deze volgorde bepaalt welke
eiwitten er gemaakt worden
Gen: deel van het DNA-molecuul dat de sequentie bevat voor de eiwitproductie van één of meer
eiwitten in de ribosomen
De weg van DNA naar eiwit: DNA -> transcriptie -> RNA -> translatie -> aminozuurketen -> eiwit
DNA kan de celkern niet uit, maar dit is wel nodig voor het produceren van eiwitten. Hiervoor is
transcriptie nodig: er wordt een kopie gemaakt van het benodigde stukje DNA, in de vorm van RNA
(enkele streng, deze kan wel de celkern uit). RNA-molecuul verlaat de celkern en komt in het
endoplasmatisch reticulum met daarop ribosomen. De ribosomen lezen het RNA-molecuul af en vertalen
het tot een aminozuurketen: dit heet translatie. Het aminozuurketen gaat naar het Golgi-apparaat en
hier wordt de secundaire structuur aan het eiwit gegeven.
Basisstof 2: DNA replicatie
DNA-replicatie: het kopiëren van DNA, vindt plaats tijdens de S-fase van de celcyclus
1. Helicase: enzym dat de twee DNA-strengen uit elkaar ritst.
2. DNA-polymerase: maakt een nieuwe streng aan beide uit elkaar geritste strengen, deze worden
gebruikt als voorbeeld