samenvatting
Les 1: inleiding AFPF, basisbegrippen
Pagina: 2 t/m 29
Les 2: afweersysteem
Pagina 30 t/m 37
Les 3 - Bewegingstelsel
Pagina 38 t/m 45
Les 4: huid en oncologie
Pagina 46 t/m 55
Les 5: voortplantingsstelsel, urinewegen
Pagina 56 t/m 64
Les 6: ademhalingsstelsel
Pagina 65 t/m 72
Les 7: farmacologie, delier, dementie
Pagina 73 t/m 79
1
,Les 1: inleiding AFPF, basisbegrippen
H1 - Anatomie en bouw van het lichaam
Betekenis:
- Anatomie = de leer van de bouw van het lichaam en de fysieke relaties tussen de verschillende
lichaamsdelen.
- Fysiologie = de leer van de werking van de systemen en de vele manieren waarop ze door
geïntegreerde samenwerking het leven en de gezondheid van de persoon in stand houden.
- Pathologie = de leer van de afwijkingen.
Niveau’s van structurele complexiteit
-> Het menselijk lichaam is opgebouwd uit verschillende niveau’s
1. Atomen en moleculen
- Atomen vormen samen moleculen.
- Moleculen zijn belangrijk voor de bouw en werking van het lichaam.
2. Cellen
- kleinste zelfstandig levende eenheden van het lichaam.
- Bekijken met de microscoop.
- Meeste cellen zijn gespecialiseerd (gedi erentieerd) om speci eke functies uit te kunnen
voeren.
Voorbeeld: zenuwcellen ontvangen en geven elektrische signalen door (zenuwimpulsen).
3. Weefsels
- Bestaan uit cellen die overeenkomen in vorm en functie.
- Deze cellen werken samen om bepaalde functies uit te voeren.
4. Organen
- Bestaan uit verschillende soorten weefsels die
samenwerken om een speci eke functie uit te
voeren.
- Het lichaam heeft ongeveer 80 organen.
Voorbeeld: de maag bestaat uit onder andere
epitheelweefsel en glasspierweefsel.
5. Orgaanstelsels
- Bestaan uit meerdere organen en weefsels die
samenwerken om belangrijke lichaamsfuncties
uit te voeren.
Voorbeeld: de maag, lever en alvleesklier zijn
onderdeel van het spijsverteringsstelsel.
Vitalen behoeften van het lichaam
Vitale behoeften
Het lichaam heeft verschillende vitale behoeften
om goed te functioneren en overleven.
2
fi ff fi
,De belangrijkste zijn:
1. Communicatie: informatie ontvangen, verwerken en doorgeven.
2. Opname van sto en: zuurstof, water en voedingssto en opnemen.
3. Eliminatie: afvalsto en uit het lichaam verwijderen.
4. Bescherming: verdediging tegen schadelijke invloeden en infecties.
5. Beweging: het lichaam of lichaamsdelen kunnen bewegen.
6. Behoud van soort: voortplanting en overdracht van erfelijke eigenschappen.
Transportsystemen
Bloed
-> Bloed vervoert sto en door het lichaam (volwassenen hebben 6L bloed)
Bloed bestaat uit:
- Plasma: vloeibare deel van het bloed, 90% bestaat uit water en bevat opgeloste sto en.
- Erytrocyten (rode bloedcellen): vervoeren zuurstof en in minderde mate koolstofdioxide.
- Leukocyten (witte bloedcellen): beschermen het lichaam tegen infecties en andere
lichaamsvreemde sto en.
- Trombocyten (bloedplaatjes): zijn belangrijk voor bloedstolling.
Bloed transporteert onder andere zuurstof, voedingssto en, hormonen en afvalproducten.
Het cardiovasculair systeem
Bestaat uit het hart en bloedvaten.
Hart: pompt bloed door het lichaam.
- Arteriën (slagaders): vervoeren bloed vanuit het hart.
- Venen (aders): vervoeren bloed naar het hart.
- Cappillairen (haarvaten): zorgen voor de uitwisseling van sto en tussen het bloed en de
weefsels.
Twee bloedsomlopen:
1. Longcirculatie: het bloed stroomt tussen het hart en de longen.
2. Lichaamscirculatie: bloed stroomt tussen het hart en de rest van het lichaam.
Lymfoïde systeem
- Voert overtollig weefselvloeistof terug naar het bloed.
- Lymfeklieren lteren microben en andere sto en uit de lymfe.
- Speelt een rol bij de afweer tegen infecties.
3
fi ff ff ff ff ff ff ff ff
, Interne communicatie
Zenuwstelsel
-> zorgt voor snelle communicatie via elektrische signalen
(zenuwimpulsen).
Bestaat uit:
- Centraal zenuwstelsel (CZS): hersenen en ruggenmerg.
- Perifeer zenuwstelsel (PZS): zenuwen buiten het CZS.
Twee soorten zenuwen:
- Sensorische (a erente) zenuwen: vervoeren signalen van het
lichaam naar het CZS.
- Motorische (e erente) zenuwen: vervoeren signalen vanuit het
CZS naar spieren en klieren.
Re exen: snelle automatische reacties op prikkels.
Endocriene stelsel (hormoonstelsel)
- Bestaat uit klieren die hormonen afgeven aan het bloed.
- Hormonen regelen onder andere stofwisseling, groei en rijping.
- Werkt langzamer dan het zenuwstelsel.
Communicatie met de buitenwereld
Zintuigen
De vijf zijtuigen zijn:
- Zicht
- Gehoor
- Reuk
- Smaak
- Evenwicht
Daarnaast neemt het lichaam via de huid, pijn, temperatuur, tast en druk waar.
Verbale en non-verbale communicatie
Verbaal: gesproken taal.
Non-verbaal: communicatie via lichaamshouding, gezichtsuitdrukkingen en bewegingen
4
fl
ffff