1
,Inhoud
1 Welke middelen worden veel gebruikt bij welke groepen ........................................... 3
1.1 psychotische aandoeningen ............................................................................ 3
1.2 Stemmingsstoornissen (bipolair, depressie). ..................................................... 3
1.3 Angststoornissen ............................................................................................ 3
1.4 Persoonlijkheidsstoornissen ............................................................................ 4
2 Symptomen middelengebruik algemeen: (belangrijkste zijn vetgedrukt) .................... 4
3 E ect middelen op prognose/beloop stoornis. En invloed op de therapietrouw. ......... 5
4 Basiskennis middelen ............................................................................................ 5
5 Belangrijkste angststoornissen ............................................................................... 6
5.1 Vermijdings -en veiligheidsgedrag: .................................................................... 7
5.2 Hoe iemand met angststoornis helpen ............................................................. 7
6. stemmingsstoornissen ......................................................................................... 7
6.1 kenmerken depressie: ..................................................................................... 7
6.2 behandeling depressie: ................................................................................... 8
7 gedragsinterpretatie, samenhang met delict gedrag en behandeling bij psychiatrische
stoornissen: ............................................................................................................ 8
7.1 Cluster A: ....................................................................................................... 8
7.2 Cluster B: ....................................................................................................... 9
7.3 Cluster c:...................................................................................................... 10
8 Risico’s ............................................................................................................... 12
8.1 RNR- model (risk-need-responsibility ............................................................. 12
8.2 Good Lives model ......................................................................................... 13
4 vragen uit de ‘goede GGZ’ .............................................................................. 13
8.3 waarom risico’s in kaart brengen .................................................................... 13
8.4 overig over risico ........................................................................................... 14
9 Toevoegingen van powerpoints ............................................................................. 14
9.1 les 1 ............................................................................................................. 14
9.2 les 2 ............................................................................................................. 15
Psychose ........................................................................................................ 15
Stress ............................................................................................................. 16
9.5 les 5 ............................................................................................................. 17
2
,1 Welke middelen worden veel gebruikt bij welke groepen
1.1 psychotische aandoeningen
Kenmerken: wanen, hallucinaties, slaapproblemen, onrust, problemen met sociaal
contact, gebrek aan energie en motivatie, somberheid en concentratieproblemen.
Wat zou kunnen “helpen”:
- Alcohol: maakt socialer, zelfverzekerder en losser. Helpt tegen somberheid en
sociale moeite.
- Cannabis: geeft een rustig gevoel en soms ook lachbuien. Gaat in tegen de
onrust en slapeloosheid (en soms ook somberheid).
- MDMA (XTC): oppeppende werking tegen de somberheid.
- Eventueel nicotine voor de concentratieproblemen
1.2 Stemmingsstoornissen (bipolair, depressie).
Kenmerken: somberheid, vermoeidheid, slaapproblemen, concentratieproblemen,
waardeloos gevoel.
Wat zou kunnen “helpen”:
- Alcohol: grote samenhang met depressie (alcoholmisbruik leidt ook vaak tot
depressieve klachten). Alcohol zorgt er voor dat je minder geremd bent, socialer,
en veel zelfverzekerder.
- Cannabis: slaapproblemen tegengaan
- Amfetamine: om wat te voelen, verhoogt de energie
- XTC: oppeppend gevoel tegen de somberheid
1.3 Angststoornissen
Kenmerken: paniek, hoge hartslag, overalert, paranoïde kan, piekeren, slapeloosheid,
controlebelang.
Wat kan “helpen”:
- Cannabis: ontspannen en rustgevend.
- GHB: vredig en ontspannen gevoel
- Benzo’s: voor slaapproblematiek
- Note: oppeppende middelen werken meestal averechts. Het verergerd de al
hoge hartslag, maakt nog alerter. Ook is er het belang van controle wat bij
mensen met angstproblematiek vaak speelt, middelengebruik kan ook de
controle weghalen wat weer leidt tot paniek.
3
, 1.4 Persoonlijkheidsstoornissen
Kenmerken: afwijkend gedrag (van algemene norm) erg veel verschillende symptomen.
Slaapproblematiek kan zo wel te veel als te weinig slaap zijn. Geen duidelijke identiteit.
Weinig empathisch vermogen, disfunctionele denkpatronen.
Wat kan “helpen”:
- Alcohol: emoties onderdrukken, onzekerheid tegengaan. Makkelijker afwijkend
gedrag verbloemen.
- Cannabis: ontspanning, hevige emoties dempen
- Benzo’s: innerlijke onrust verminderen, of angst
2 Symptomen middelengebruik algemeen: (belangrijkste zijn
vetgedrukt)
Stoornis DOOR het gebruik: intoxicatie, hallucinaties, geheugenschade
Stoornis IN het gebruik: ‘verslaving’/SUD in het proces van herhaald gebruik,
waarbij de gebruiker de controle over het gebruik heeft verloren.
Substance Use Disorder (SUD): voldoe je aan 2 of 3 criteria dan heb je een milde
stoornis in het gebruik van middelen. Voldoe je aan 4 of 5 criteria dan is er sprake van
gematigde stoornis, en bij 6 of meer is er sprake van een ernstige stoornis
- Optreden van afkickverschijnselen
- In grotere hoeveelheden gebruiken dan het plan was (‘toch weer een drankje
te veel gehad’)
- Verlangen om te gebruiken
- Opgeven van hobby’s, werk of sociale activiteiten
- Tekort schieten op werk, school of thuis
- Blijven gebruiken ondanks dat het problemen meebrengt in het relationele vlak
- Voortdurend gebruik zelfs als je daardoor in gevaar komt
- Grotere hoeveelheden nodig hebben om het e ect te voelen
- Mislukte pogingen om te stoppen, of minderen
- Blijven gebruiken ondanks de kennis dat dit zowel lichamelijke als
psychische klachten kan verergeren of meebrengt.
4