, Ilo 9
Case report
Discussie
Deze case-studie heeft het effect onderzocht van excentrische training bij een 20
jarige profvoetballer met een insertietendinopatie van de patellapees ter hoogte van
de tuberositas tibiae. Hieruit is gebleken dat na 12 weken trainen de patiënt volledig
is hersteld. Echter is niet duidelijk of dit het gevolg is van de excentrische training
vanwege de opzet van dit onderzoek waarbij enkel een (1) proefpersoon is gebruikt.
De diagnose patella tendinopathie (PT) is te stellen op basis van het klinische beeld.
Röntgenfoto’s worden gemaakt voor het uitsluiten van anderen pathologieën zoals
fracturen, tumoren etc. In de casus wordt de term jumper’s knee gebruikt. Een
jumper’s knee bevind zich aan de onderkant van de patella. In deze casus gaat het
om een insertie tendinopathie aan de tuberositas tibiae, deze diagnose is een M.
Osgood schlatter deze pathologie doet zich voornamelijk voor bij kinderen tussen de
11 – 15 jaar. Slechts in uitzonderingsgevallen (als bij klachten een zware sport wordt
bedreven) bestaat er het risico op een avulsiefractuur. In beide gevallen zou dit
aantoonbaar zijn middels een röntgenfoto. Deze is gemaakt, waardoor beide
patholologieën uitgesloten kunnen worden.
Wanneer de klinische relevantie wordt vergeleken met andere studies waarbij het
effect van excentrische training bij PT wordt vergeleken met andere trainingsvormen
kan worden gezegd dat de resultaten overeen komen met de resultaten van deze
literatuur (Cannell, Taunton, Clement, Smith, & Khan, 2001a; Murtaugh & M. Ihm,
2013; van Rijn et al., 2017). Deze studies tonen aan dat het effect van excentrische
training positief is op het herstel. Echter wordt aangegeven dat er verder onderzoek
nodig is naar het precieze effect van de excentrische trainingsvormen bij PT zoals in
het onderzoek van (Visnes & Bahr, 2007).
Wanneer excentrische training word vergleken met een operatieve behandeling zoals
in het onderzoek van (Bahr, Fossan, Løken, & Engebretsen, 2006) is gebleken dat
de groep die excentrische training onderging sneller resultaat boekten dan de
operatieve groep. Echter bleek de outcome na 12 maanden follow-up gelijk te zijn
voor de twee groepen.
PT is een veel voorkomende overbelasting blessure van de patellapees, er is geen
adequate behandeling die sporters snel terugbrengt op hun oorspronkelijke niveau.
Hierdoor is langdurige revalidatie genoodzaakt. In deze casus is er in een periode
van 12 weken getraind met de patiënt wat overeenkomt met de periode van eerder
gedane studies (Cannell, Taunton, Clement, Smith, & Khan, 2001b; Jonsson &
Alfredson, 2005; Purdam, 2004)Wanneer wordt gekeken naar de gebruikte
meetinstrumenten valt het volgende op: het gebruik van de omvang meting van het
bovenbeen is niet betrouwbaar. Deze meting wordt gedaan 15cm boven de
gewrichtsspleet. Op deze hoogte zitten ook de spieren van de adductoren en
hamstrings waardoor er een meetfout kan ontstaan, mocht er een verschil en/of
trauma aanwezig zijn in een van de bovenbenen. Ook wordt de MRC-schaal gebruikt
om de kracht te bepalen deze numerieke uitkomstmaat is vaak niet betrouwbaar (van
der Ploeg & Oosterhuis, 2001). De hop is een juiste test om de sprongkracht te
meten, echter is het nodig om bij deze test bij het aangedane been en het niet
Case report
Discussie
Deze case-studie heeft het effect onderzocht van excentrische training bij een 20
jarige profvoetballer met een insertietendinopatie van de patellapees ter hoogte van
de tuberositas tibiae. Hieruit is gebleken dat na 12 weken trainen de patiënt volledig
is hersteld. Echter is niet duidelijk of dit het gevolg is van de excentrische training
vanwege de opzet van dit onderzoek waarbij enkel een (1) proefpersoon is gebruikt.
De diagnose patella tendinopathie (PT) is te stellen op basis van het klinische beeld.
Röntgenfoto’s worden gemaakt voor het uitsluiten van anderen pathologieën zoals
fracturen, tumoren etc. In de casus wordt de term jumper’s knee gebruikt. Een
jumper’s knee bevind zich aan de onderkant van de patella. In deze casus gaat het
om een insertie tendinopathie aan de tuberositas tibiae, deze diagnose is een M.
Osgood schlatter deze pathologie doet zich voornamelijk voor bij kinderen tussen de
11 – 15 jaar. Slechts in uitzonderingsgevallen (als bij klachten een zware sport wordt
bedreven) bestaat er het risico op een avulsiefractuur. In beide gevallen zou dit
aantoonbaar zijn middels een röntgenfoto. Deze is gemaakt, waardoor beide
patholologieën uitgesloten kunnen worden.
Wanneer de klinische relevantie wordt vergeleken met andere studies waarbij het
effect van excentrische training bij PT wordt vergeleken met andere trainingsvormen
kan worden gezegd dat de resultaten overeen komen met de resultaten van deze
literatuur (Cannell, Taunton, Clement, Smith, & Khan, 2001a; Murtaugh & M. Ihm,
2013; van Rijn et al., 2017). Deze studies tonen aan dat het effect van excentrische
training positief is op het herstel. Echter wordt aangegeven dat er verder onderzoek
nodig is naar het precieze effect van de excentrische trainingsvormen bij PT zoals in
het onderzoek van (Visnes & Bahr, 2007).
Wanneer excentrische training word vergleken met een operatieve behandeling zoals
in het onderzoek van (Bahr, Fossan, Løken, & Engebretsen, 2006) is gebleken dat
de groep die excentrische training onderging sneller resultaat boekten dan de
operatieve groep. Echter bleek de outcome na 12 maanden follow-up gelijk te zijn
voor de twee groepen.
PT is een veel voorkomende overbelasting blessure van de patellapees, er is geen
adequate behandeling die sporters snel terugbrengt op hun oorspronkelijke niveau.
Hierdoor is langdurige revalidatie genoodzaakt. In deze casus is er in een periode
van 12 weken getraind met de patiënt wat overeenkomt met de periode van eerder
gedane studies (Cannell, Taunton, Clement, Smith, & Khan, 2001b; Jonsson &
Alfredson, 2005; Purdam, 2004)Wanneer wordt gekeken naar de gebruikte
meetinstrumenten valt het volgende op: het gebruik van de omvang meting van het
bovenbeen is niet betrouwbaar. Deze meting wordt gedaan 15cm boven de
gewrichtsspleet. Op deze hoogte zitten ook de spieren van de adductoren en
hamstrings waardoor er een meetfout kan ontstaan, mocht er een verschil en/of
trauma aanwezig zijn in een van de bovenbenen. Ook wordt de MRC-schaal gebruikt
om de kracht te bepalen deze numerieke uitkomstmaat is vaak niet betrouwbaar (van
der Ploeg & Oosterhuis, 2001). De hop is een juiste test om de sprongkracht te
meten, echter is het nodig om bij deze test bij het aangedane been en het niet