Kritisch denken betekent dat je informatie niet zonder meer accepteert. Je gaat zorgvuldig na of er iets tegen
uitspraken of redeneringen in valt te brengen.
Voorbeelden:
Een conclusie kan geldig of ongeldig zijn. Er zijn 4 mogelijkheden:
1. Alleen de eerste conclusie is geldig.
2. Alleen de tweede conclusie is geldig.
3. Allebei de conclusies zijn geldig.
4. Allebei de conclusies zijn niet geldig.
Signaalwoorden standpunt: dus, derhalve, daarom, daaruit volgt.
Signaalwoorden argument: want, omdat, immers, aangezien.
Begrippen:
• Argument = premisse
• Standpunt = stelling
• Conclusie = gevolgtrekking
• Redenering = argumentaIe
Psycholoog Daniel Kahneman maakt onderscheid tussen twee manieren van denken, denksystemen:
• Systeem 1: intuïAef – gedachten die vanzelf in je hoofd komen, gaat automaIsch, geen inspanning
nodig, geen controle.
• Systeem 2: raAoneel – bewuste keuze, mentale inspanning nodig, kriIsch denken.
Voorbeeld
Standpunt: het is levensgevaarlijk om je baby bij je in bed te laten slapen.
Argument: want dat blijkt uit Amerikaans onderzoek.
We nemen beslissingen op basis van aangedragen informatie (ook als het niet relevant is).
We gebruiken aangedragen informatie voor onze beslissingen (priming).
• Kan ook niet relevante informaIe zijn.
• Zoals het plaatje met bloemen of ogen, of de onzinnige vraag bij Ghandi (was Ghandi jonger of ouder
dan 144 toen hij sIerf?).
Hoe gebruiken we de aangedragen informatie?
>> we proberen de wereld om ons heen te begrijpen.
• En leggen daarbij oorzakelijke relaAes.
• (rivier de Thames: meer bommen).
• Die niet noodzakelijkerwijs waar zijn.
We zoeken in de wereld om ons heen een bevestiging van wat te geloven.
Een greep uit de kenmerken van systeem 1 (intuïtief):
• Werkt automaIsch en snel zonder al te veel moeite te doen
• Leidt oorzaken en intenIes af en verzint ze
• Is geneigd om te geloven en te bevesIgen
• GeeZ teveel gewicht aan kleine klassen
,Waarom doen we dat? – systeem 1 toont ons de wereld
• Ordelijker, eenvoudiger, voorspelbaarder, samenhangender
>> dan dat de waarheid eigenlijk is..
Het wetenschappelijke bedrijf
• Doel: kennis verwerven door middel van wetenschappelijk onderzoek.
• Onderzoek gecontroleerd en systemaIsch uitvoeren.
• Het kriIsch reflecteren op eigen en andermans arIkelen is noodzakelijk om kennis van het vakgebied te
vergroten.
Kortom: we moeten aan het werk met systeem 2.
Kritische vragen stellen bij wetenschappelijk onderzoek.
, WEEK 2: ANALYSEREN – STRUCTUUR EN ARGUMENTATIE
Eenvoudige argumentatie
Voorbeeld:
• Standpunt: die diagnose deugt niet.
• Argument: want er zijn mee]outen gemaakt.
= een redenering met 1 argument.
____________________________________________________________________________________
Meervoudige argumentatie
Voorbeeld:
• Die diagnose deugt niet, want er zijn mee]outen gemaakt en er zijn gegevens weggeraakt.
= standpunt met meerdere argumenten.
St: die diagnose deugt niet
^ ^
A1: er zijn meetfouten gemaakt. A2: er zijn gegevens weggeraakt.
___________________________________________________________________________________
Onderschikkende argumentatie
Voorbeeld:
• De diagnose deugt niet, want er zijn mee]outen gemaakt (A1). De thermometer funcIoneerde namelijk
niet goed (A1A1).
= standpunt met meerdere argumenten, waarbij er een relatie is tussen de argumenten.
St: die diagnose deugt niet.
^
A1: er zijn meetfouten gemaakt.
^
A1A1: de thermometer functioneerde niet goed.
___________________________________________________________________________________
Nevenschikkende argumentatie
Voorbeeld:
• Het is terecht dat Antonie als grondlegger wordt gezien. Hij is de uitvinder van de microscoop en hij
ontdekte nieuwe medische en biologische eigenschappen.
= standpunt met meerdere argumenten die standpunt ondersteunen, maar argumenten zijn onafhankelijk.
St: het is terecht dat Antonie als grondlegger wordt gezien.
^ ^
A1: hij is de uitvinden microscoop A2: hij ontdekte nieuwe medische
en biologisch eigenschappen.
, Complexe argumentatie
Voorbeeld:
• Ik voel er niets voor om samen te werken met Paul. Ik vind hem niet betrouwbaar, hij heeZ fraude
gepleegd en hij komt zijn beloZes niet na.
= combinatie van en meervoudige nevenschikkende en/of onderschikkende argumenten.
St: ik voel er niets voor om samen te werken met Paul.
^
A1: ik vind hem niet betrouwbaar.
^ ^
A1A1: hij heeft vroeger fraude gepleegd. A2A1: hij komt beloftes niet na.
___________________________________________________________________________________
Contra-argumenten
Voorbeeld:
• Paul is geen sympathiek mens. Toch denk ik dat het een goed idee is om met hem samen te werken. Hij
heeZ namelijk verstand van zaken doen.
= argumenten die een standpunt aanvallen.
St: het is een goed idee om met Paul samen te werken.
A1: Paul heeft verstand van zaken doen. C1: Paul is geen sympathiek mens.
___________________________________________________________________________________
Deel 2 – meningsverschillen
Argumentatie – definitie: een verbale, sociale en rationele activiteit die erop gericht is een redelijke
beoordelaar te overtuigen van de aanvaardbaarheid van een standpunt door 1 of meer proporties naar voren
te brengen die ter rechtvaardiging dienen van dat standpunt.
• Verbaal: met woorden (mondeling of schriZelijk).
• Sociaal: op andere gericht.
• RaIoneel: door middel van redeneren.
Basisbegrippen:
• ProposiAe: een stelling / uitspraak
® Je kunt er een posiIe over innemen
Standpunt: positieve of negatieve positie ten opzichte van een propositie.
• Twijfel: neutrale posiIe.
• Meningsverschil: standpunten komen niet overeen
® Tenminste 1 standpunt + 1 twijfel.