gehechtheidstheorie
Boek: Hechten
Hoofdstuk 1 Inleiding:
Intern werkmodel = de verwachtingen die iemand ontwikkelt over zichzelf,
anderen en relaties op basis van eerdere relationele ervaringen.
Veilige haven = bij angst, pijn of spanning teruggaan naar opvoeder voor
troost.
Veilige basis = vanuit vertrouwen dat de opvoeder beschikbaar is, de
wereld durven ontdekken (exploreren).
Dyadische regulatie / coregulatie = emoties worden gereguleerd in
interactie met iemand anders.
Trap van pedagogische ondersteuning:
“Opvoedproblemen liggen op een continuüm, niet iedere
opvoedvraag betekent dat een gezin ernstige hulp nodig heeft en
betekent ook niet dat er een gehechtheidsprobleem aan de hand is.
Soms hebben ouders gewoon hulp nodig bij bijvoorbeeld slapen,
huilen of grenzen stellen. Andere keren speelt er werkelijk iets in de
ouder-kindrelatie of is intensievere hulp nodig.”
Situatie: Passende ondersteuning:
Opvoedingsonzekerheid: Normaliseren & informeren
Opvoedingsspanning: Adviseren & ondersteunen
Opvoedingscrisis: Intensieve hulp
Opvoedingsnood: Complexe zorg
Hoofdstuk 2 De historische wortels van de gehechtheidstheorie:
Bowlby: grondlegger Gehechtheidstheorie. Hij stelde dat kinderen een
aangeboren behoefte hebben om nabijheid te zoeken bij een verzorger en
dat langdurige scheiding of verstoring van deze relatie gevolgen kan
hebben voor de ontwikkeling.
“De band tussen kind en opvoeder is een aangeboren/evolutionair
systeem dat bedoeld is om het kind nabije bescherming te geven.
Scheiding daarvan kan langdurige gevolgen hebben voor de ontwikkeling.”
Ethologie (= biologische studie van gedrag, in de natuurlijke omgeving):
Bowlby’s idee aan de hand van ethologie;
Gehechtheid is geen aangeleerd gedrag, maar een aangeboren
systeem dat door evolutie is ontstaan. Als jong kind dicht bij je
verzorger te blijven vergroot je overlevingskans; huilen/verzorger
, achtervolgen/vastklampen is dus allemaal functioneel gedrag, zodat
de opvoeder dichtbij blijft.
3 reacties na scheiding kind & verzorger:
- Protest = het kind huilt, zoekt/roept ouder en verzet zich tegen
scheiding.
- Wanhoop = het kind wordt stiller, verdrietiger en lijkt de hoop op
terugkeer van de ouder de verliezen.
- Onthechting = het kind lijkt afstandelijker te worden en kan bij
terugkeer van de ouder minder toenadering zoeken.
Blatz: ontwikkelde Security Theory. Volgens hem helpt een betrouwbare
verzorger het kind veilig te voelen, waardoor het kan exploreren, leren en
zelfstandiger worden.
“Een kind groeit van afhankelijk naar zelfstandig, met behulp van een
betrouwbare ander.”
- Dependent infantile security = veiligheid van een jong kind dat
volledig afhankelijk is van ouder; veilige basis/secure base.
- Learning = wanneer kind ondanks insecurity gaat oefenen, doet het
nieuwe succes ervaringen op -> vergroot zelfvertrouwen.
- Independent security = kind heeft ouder voor specifieke situaties
niet meer nodig.
- Adult dependent security = iemand kan iets niet zelfstandig, maar
voelt zich toch veilig omdat hij op betrouwbaar iemand kan
terugvallen.
- Insecurity = kind komt in nieuwe situatie en weet niet wat te doen,
dus voelt zich onzeker, maar ouder blijft in de buurt voor
ondersteuning.
Insecurity blijft bestaan wanneer je niet zelfstandig bent en geen
veilige terugval basis hebt; manieren om je eigen onzekerheid
dragelijk te maken:
o Rationalisation = jezelf reden geven waarom je het niet hoeft
te doen.
o Compensation = onzekerheid op één gebied compenseren
door iets anders wel goed te kunnen.
o Sublimation = spanning omzetten in sociaal geaccepteerd
gedrag.
,Ainsworth: bouwde voort op Bowlby en Blatz. Zij maakte de
gehechtheidstheorie concreter en empirisch toetsbaar, onder andere met
het idee van de veilige basis, gehechtheidscategorieën en later de Strange
Situation Procedure.
Strange Situation Procedure = SSP van Ainsworth:
o Observatie meetmethode voor onderzoek hoe ene jong kind
zijn gehechtheidsfiguur gebruikt bij stress.
o Kernvraag: wat doet het kind wanneer ouders vertrekt en weer
terug komt?
“Ainsworth is de brug tussen Bowlby en Blatz; ze nam het idee ‘security’
van Blatz mee naar samenwerking met Bowbly en hielp hiermee met het
vormen van de moderne gehechtheidstheorie.”
Gehechtheidscategorieën Ainsworth:
B) Veilig gehecht = laat zich troosten, daarna door met spelen.
A) Onveilig-vermijdend = zoekt weinig/geen contact met opvoeder.
C) Onveilig-ambivalent = zoekt heel veel nabijheid/snel overstuur
D) Gedesorganiseerd = tegenstrijdig/verward/angstig gedrag; geen
consistente strategie om met stress om te gaan.
Freud: grondlegger Psychoanalyse. Hij stelde dat ervaringen en conflicten
uit de vroege kindertijd grote invloed kunnen hebben op de latere
psychische ontwikkeling en psychische problemen.
Hoofdstuk 3 Lost in translation? Meer duidelijkheid in kernbegrippen uit
de gehechtheidstheorie in wetenschap en praktijk:
Gehechtheidsrelatie = relatie waarin een kind een specifieke verzorger
gebruikt voor veiligheid en steun bij stress.
NIET: een goede/sterke band in algemene zin.
Veilige gehechtheid = kind gebruikt opvoeder als veilige haven bij stress
en veilige basis voor exploratie.
NIET: dat het kind letterlijk ‘veilig’ is of dat het gezin automatisch
goed functioneert.
Onveilige gehechtheid = een bepaalde strategie binnen een specifieke
ouder-kindrelatie.
NIET: dat het kind zelf ‘onveilig’ of problematisch is.
Gedesorganiseerde gehechtheid = verstoord/tegenstrijdig
gehechtheidsgedrag zonder duidelijke georganiseerde strategie.
NIET: een stoornis, diagnose of bewijs van mishandeling.
Sensitiviteit = signalen van het kind opmerken, juist interpreteren en
passend/snel beantwoorden.
NIET: alleen lief, warm of empathisch zijn.
, Intern werkmodel = verwachtingen die ontstaan uit eerdere
gehechtheidservaringen over beschikbaarheid van anderen en zichzelf.
NIET: een vast persoonlijkheidskenmerk.
Gehechtheidsstijl = term vooral uit sociale psychologie voor
houding/verwachtingen in volwassen relaties.
NIET: rechtstreeks hetzelfde als Ainsworths gehechtheidscategorieën
bij kinderen.
State of mind = manier waarop een volwassene over
gehechtheidservaringen denkt en er coherent over kan spreken, gemeten
met het AAI.
NIET: simpelweg iemand gehechtheidsstijl.
Gedesorganiseerde gehechtheid:
- Praktijk; gedesorganiseerd -> mishandeling/trauma -> kind moet
beschermd worden.
- Wetenschap; gedesorganiseerde gehechtheid is een classificatie van
gedrag binnen een gehechtheidsrelatie, mishandeling verhoogt wel
het risico, maar er zijn ook andere mogelijke factoren.
Gedesorganiseerde gehechtheid ≠ diagnose ≠ bewijs van mishandeling
(Kinderen die thuis mishandeling meemaken hebben een groter
risico op een gedesorganiseerde gehechtheid, maar dat verklaard
niks).
Sensitiviteit:
- Sensitief opvoeden vergroot de kans op veilige gehechtheid, maar
sensitiviteit verklaart niet volledig waarom een kind veilig of onveilig
gehecht raakt.
Sensitieve ouder ≠ automatisch veilig gehecht kind
Oplossing voor de verwarringen in taal:
- Wetenschappers en professionals moeten meer een
gemeenschappelijke taal ontwikkelen:
1. Ga er niet vanuit dat hetzelfde woord voor iedereen hetzelfde
betekent.
2. Zeg expliciet wat je precies bedoelt.
3. Controleer of je de ander goed hebt begrepen.
4. Bespreek verschillen in terminologie actief in de praktijk.
Hoofdstuk 4 Vier kritische vragen over de veronderstelde universaliteit
van de gehechtheidstheorie:
“Hoe kunnen we de gehechtheidstheorie voor waarheid aannemen als er
alleen onderzoek is gedaan in westerse landen?”
De vier aannames van de gehechtheidstheorie (gelden deze aannames in
alle culturen/landen?):