• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 10 pagina's
Tentamen (uitwerkingen)

Vastgoed economie incl 5 (mogelijke) tentamen vragen!

Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 10 pagina's

Tentamen van 10 pagina's voor het vak Vastgoed economie aan de HR

Voorbeeld van de inhoud

Vastgoed economie 2014-2015
Built in stabilizer = de economie herstelt zichzelf altijd. Inflatie is het smeermiddel van
de economie, de economie heeft inflatie nodig, omdat als er geen inflatie is dan gaan
mensen geen producten meer kopen. Dit leidt tot deflatie = de goederen worden
goedkoper. Als de inflatie normaal is (2,0%) dan gaat men meer kopen.

Hoofdstuk 1 De Economie

Begrippen binnen de economische wetenschap:
- Nutsmaximalisatie  het streven naar maximale behoefte bevrediging door
middel van het maken van keuzes uit diverse alternatieven die beperkt
beschikbaar zijn.
- Alternatief aanwendbaar  keuze tussen verschillende mogelijkheden om de
schaarse middelen uit te geven.
- Schaarste  spanning tussen behoeften en schaarse middelen. VB: Chanel
N.5
- Economische orde  centraal geleide economie (Noord-Korea),
vrijemarkteconomie (Monaco) en georiënteerde markteconomie (Derest van
de wereld).
Welvaart: De mate waarin de spanning tussen behoeften en beperkte middelen is
opgeheven.
Welzijn: De mate van bevrediging van behoeften die niet afhankelijk zijn van schaars
beschikbare middelen.
Welstand: Persoonlijke voorspoed in de zin van gezondheid en bemiddeld zijn.
Behoefte is het menselijk verlangen waaraan voldaan wordt door de
beschikking over schaarse goederen en diensten.
Economische niveaus  Macro (Europese Unie), Meso (bedrijfstak) en Micro
(niveau van individuele consumenten en bedrijven.)
De hypotheek rente is een op een afhankelijk van de rente die de staat op de
staatsobligaties moet betalen.

Hoofdstuk 2

Arbeidsmarkt en werkloosheid de termen:
- Arbeidsproductiviteit = productie per mens, per tijdseenheid gemeten in geld
- Volledige werkgelegenheid
- Conjuncturele werkloosheid = oorzaak ligt aan de vraagzijde van de economie
- Structurele werkloosheid = oorzaak ligt aan de aanbodzijde van de economie
- Beroepsbevolking
- Seizoenswerkloosheid
- Regionale werkloosheid
- Frictiewerkloosheid
- Verborgen werkloosheid = men meldt zich niet bij het uwv
- Natuurlijke werkloosheid = mensen die van nature werkloos zijn(mbo diploma,
geen taalbeheersing) Belangrijk!!

,De economische kringloop:




BBP= C+I+O+(E-M ) (Met welke inspanning kun je inkomen verwerven)
C= Consumptie I=Investeringen O=Overheidsuitgaven E=Export
M=Import
Y= C+S+B (Waaraan geef je inkomen uit)
Y=Nationaal Inkomen C=Consumptie S=Besparingen
B=Belastingafdrachten
Het nationaal inkomen
Subjectief: Saldo van alle verdiende inkomens
Objectief: Saldo van de toegevoegde waarde van bedrijven en overheid
BBP + Saldo Primaire Inkomens = Bruto Nationaal Inkomen
Bruto Nationaal Inkomen - Inkomensoverdrachten = Beschikbaar Nationaal Inkomen
Cyclische groei = heeft te maken met de regelmatige onregelmatigheid.
Onroerendgoedmarkt en conjunctuur
Economische indicatoren:
- Groei van het BBP  leidt tot meer investeringen vanuit het bedrijfsleven
- Conjunctuur  bij een hoog conjunctuur is men bereid het geld te laten rollen.
- Consumentenvertrouwen
- Ontwikkeling van de werkloosheid  hoge werkloosheid leidt tot
voorzichtigheid.
- Prijsontwikkeling
- Orderportefeuille bedrijven  de mate waarin bedrijven voor de toekomst over
opdrachten beschikken.
Buitenlandse indicatoren:
 Renteontwikkelingen
 Ontwikkeling van de export  groei van de export leidt tot een gunstige
positie.
 Koersverhoudingen
 Energieprijsontwikkelingen  hogere energieprijzen betekenen voor
consumenten hogere prijzen voor producten.

, Hoofdstuk 3

Samenwerking binnen de bedrijfstak
Concentratie binnen de bedrijfstak  de CN-Index, n staat voor het aantal actieve
ondernemingen binnen de bedrijfstak.
Vb. Atta en Ooms hebben in Rotterdam een marktaandeel van 45%  C2 = 45%
Vb. Atta, Ooms en Kolpa hebben in Rotterdam een marktaandeel van 51%
 C3 = 51%
- Interne concurrentie: het verkrijgen van een zo groot mogelijk aandeel binnen de
bedrijfstak
- Externe concurrentie: het behalen van een zo groot mogelijk winstmarge binnen de
bedrijfskolom
- Potentiele concurrentie: mogelijk nieuwe ondernemingen die willen toetreden tot de
bedrijfstak
In de bedrijfskolom kunnen zich twee soorten bewegingen voordoen namelijk:
o Parallellisatie  producten uit verschillende bedrijfskolommen door 1
onderneming worden bijeengebracht bv. een makelaar die ook hypotheken
gaat voeren.
o Specialisatie  een onderneming die zich beperkt tot 1 product bv. een
makelaar die zich alleen richt op onroerend goed boven de 1 mln.
Marktvormen: Structuur Gedrag Resultaat Model (SGR-Model)
 Structuur van de markt: Geeft aan hoe een onderneming moet opereren. Zijn
er veel of weinig concurrenten? Kan de onderneming het product
differentiëren of moet de onderneming mee met de concurrentie? Unieke
service?
 Gedrag: Geeft aan welk gedrag een onderneming moet aannemen vb.
Kopieergedrag bij makelaars
 Resultaat: Maximale winst, marktaandeel of klanttevredenheid etc.


Hoofdstuk 4

1e wet van Gossen: wet van het dalend grensnut (marginale punt). Nut van de laatste
toegevoegde eenheid. Het grenspunt daalt naar mate je over het meer van een goed
de beschikking hebt. Voorbeeld: Je loopt al 4 dagen in de woestijn en op de vlucht
voor ISIS. Na 4 dagen aan de rand van de woestijn met honger en dorst. Daar vind je
opeens een café, maar ze schenken alleen water. De Castelijn vraagt wat wil je
drinken? Nou doe dan maar een glas water. Je behoefte is heel hoog. Heerlijk glas
water, hoge prijs en doe er nog maar een, het 2 e glas water is de behoefte nog
steeds hoog maar minder dan het 1e glas en de prijs die je wilt betalen is lager enz..

Epv = % Δ Qv / Procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid
% Δ Pv Procentuele verandering van de prijs hoeveelheid
Epv = 0  is een volkomen inelastisch goed
Epv = kleiner dan 0 maar groter dan -1  inelastische vraag
Epv = kleiner dan -1  elastisch goed

Documentinformatie

Geüpload op
15 januari 2015
Aantal pagina's
10
Geschreven in
2014/2015
Type
Tentamen (uitwerkingen)
Bevat
Onbekend
€4,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Verkocht
16
Volgers
11
Items
6
Laatst verkocht
5 jaar geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen