Bloedcelvorming en afweer
Intro:
THM:
• Het afweersysteem kent meerdere lagen: innate - innate-geïnduceerd - adaptief, die
effectief zijn met verschillende kinetiek.
• Afweer wordt ingezet bij schade → ontstekingsreactie.
• Verschil tussen innate en adaptieve respons: herkenning door genoom-gecodeerde
vs. gerearrangeerde receptor.
• Adaptieve repertoire is vrijwel onbeperkt.
• Lymfocyten worden in een primaire respons geactiveerd in secundaire lymfoïde
organen, b.v. lymfeklier of milt.
Granulocyten (aangeboren afweer)
• Neutrofielen → fagocyteren en doden bacteriën (eerste respons)
• Eosinofielen → bestrijden parasieten, rol bij allergie
• Basofielen → geven histamine af (allergische reactie)
Monocyten / macrofagen
• Monocyten (bloed) → voorlopers
• Macrofagen (weefsel) → fagocytose + presenteren antigenen
• Maken cytokinen (ontsteking sturen)
Dendritische cellen
• Belangrijkste antigeenpresenterende cellen (APC)
, • Activeren T-cellen → brug tussen aangeboren en adaptief
Lymfocyten (adaptieve afweer)
• B-cellen
→ maken antistoffen (na differentiatie tot plasmacellen)
• T-helpercellen (CD4+)
→ sturen immuunrespons (activeren B-cellen en andere cellen)
• Cytotoxische T-cellen (CD8+)
→ doden virus-geïnfecteerde cellen
• NK-cellen
→ doden geïnfecteerde of tumorcellen (zonder specifieke herkenning)
Overige belangrijke cellen
• Plasmacellen → produceren grote hoeveelheden antistoffen
• Mestcellen → histamine → allergie/ontsteking
Kort samengevat (superkort):
• Neutrofiel = bacteriedoder
• Macrofage = opruimer + presentator
• Dendritische cel = start adaptieve afweer
• B-cel = antistoffen
• CD4 = regelt
• CD8 = doodt
• NK = snelle killer zonder specificiteit
Als je wil, kan ik dit ook omzetten in een supercompact spiekbriefje van 5 regels voor je
tentamen.
Hoorcollege 2 - Normale hematopoiese en stamcelbiologie 1
,Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste concepten uit hoorcollege 2 en 3 over
hematopoëtische stamcellen (HSC's) en hun niche, gebaseerd op de verstrekte bronnen.
Kenmerken van Hematopoëtische Stamcellen
Volgens de bronnen wordt een stamcel wetenschappelijk gedefinieerd op basis van zijn functie
en niet op basis van zijn immunofenotype. De vier functionele kernkenmerken van een HSC zijn:
• Self-renewal: Het vermogen om zichzelf te repliceren zonder aan potentie te verliezen.
• Multilineage differentiatie: Het vermogen om alle verschillende typen bloedcellen te
produceren.
• In staat tot symmetrische en asymmetrische delingen
(Quiescent: In essentie zijn deze cellen rustend; ze delen slechts sporadisch om zichzelf
te beschermen tegen genetische transformatie. & Long-lived: Ze blijven gedurende het
hele leven aanwezig.)
Aan de top van de bloedcelhiërarchie staat de stamcel die weinig deelt, terwijl de cellen
daaronder (progenitorcellen) vaker delen voor de daadwerkelijke productie. Iedere seconde
worden er in het lichaam ongeveer 3 miljoen nieuwe bloedcellen aangemaakt.
Celdeling en Hiërarchie
De bronnen beschrijven twee vormen van celdeling bij stamcellen:
1. Asymmetrische celdeling: Hierbij ontstaan één nieuwe stamcel (voor zelfvernieuwing)
en één progenitorcel (voor differentiatie).
2. Symmetrische celdeling: Hierbij ontstaan twee nieuwe progenitorcellen.
De bloedvorming verloopt via verschillende stadia, van de HSC naar multipotente progenitors
(MPP), en vervolgens naar lijnspecifieke voorlopers zoals de myeloïde (CMP) of lymfoïde (CLP)
lijnen. Uit deze lijnen ontstaan uiteindelijk de functionele cellen zoals erytrocyten (levensduur
~120 dagen), bloedplaatjes (levensduur ~1 week) en witte bloedcellen.
De HSC Niche
De niche is de gespecialiseerde micro-omgeving in het beenmerg die de HSC's ondersteunt en
hun gedrag reguleert. Het is een anatomisch gedefinieerde omgeving die bepaalt welke functie
een stamcel op een specifiek moment krijgt.
Belangrijke componenten en factoren in deze niche zijn:
• Cellulaire elementen: Osteoblasten (botcellen), endotheelcellen (vaatwand),
perivasculaire cellen, adipocyten en CXCL12+ adventitiële reticulaire cellen.
• Stromale signalen: De Stem Cell Factor (SCF), geproduceerd door stromale cellen, is
cruciaal voor het onderhoud van HSC's en een normale bloedvorming.
Klinische Relevantie en Pathologie
, Wanneer er mutaties ontstaan in de HSC's of wanneer de niche niet goed functioneert, kan de
normale bloedvorming verstoord raken:
• Leukemie: Bij acute leukemie werken de normale differentiatieprocessen niet meer door
mutaties in de HSC. Er is in het geval van AML vaak een specifiek verlies van normale
'hoog-output' HSC's.
• Niche-geïnduceerde oncogenesis: De bronnen introduceren het concept dat
disfunctie van de stromale cellen in de niche zelf de aanzet kan geven tot
myelodysplasie (MDS) of secundaire leukemie.
• Clonale evolutie: Factoren zoals inflammatie in de niche kunnen de selectie en
expansie van gemuteerde stamcelkloon bevorderen.
Granulocyten zijn witte bloedcellen die onderdeel zijn van het aangeboren immuunsysteem en
zorgen voor snelle, niet-specifieke afweer. Ze bevatten granula met stoffen die ziekteverwekkers
kunnen doden.
Er zijn drie typen:
• Neutrofielen: fagocyteren en doden vooral bacteriën
• Eosinofielen: bestrijden parasieten en spelen een rol bij allergieën
• Basofielen: geven histamine af bij allergische reacties
Kort: snelle afweercellen die ziekteverwekkers direct aanvallen.
Hoorcollege 4; Innate immuniteit 1
Innate vs. adaptieve respons
Aangeboren; receptoren zijn in het genoom gecodeerd en veranderen niet
- Snelle reactie
- Geen geheugenpopulatie
- Patroon herkenning
- Niet-klonale respons – immuuncellen reageren zonder eerst te delen
Adaptieve; receptoren worden gemaakt door genherschikking (recombinatie) → veel diversiteit
in receptoren. Voornamelijk B en T cellen
- Klonale respons
- Zeer specifieke herkenning
- Kost meer tijd
- Verschillend per individu
- Geheugenpopulatie → hierdoor
nemen de cellen toe
NK-cellen (natural killer); ze hebben
verschillende receptoren → inhibitie (remmend) en activerende
Intro:
THM:
• Het afweersysteem kent meerdere lagen: innate - innate-geïnduceerd - adaptief, die
effectief zijn met verschillende kinetiek.
• Afweer wordt ingezet bij schade → ontstekingsreactie.
• Verschil tussen innate en adaptieve respons: herkenning door genoom-gecodeerde
vs. gerearrangeerde receptor.
• Adaptieve repertoire is vrijwel onbeperkt.
• Lymfocyten worden in een primaire respons geactiveerd in secundaire lymfoïde
organen, b.v. lymfeklier of milt.
Granulocyten (aangeboren afweer)
• Neutrofielen → fagocyteren en doden bacteriën (eerste respons)
• Eosinofielen → bestrijden parasieten, rol bij allergie
• Basofielen → geven histamine af (allergische reactie)
Monocyten / macrofagen
• Monocyten (bloed) → voorlopers
• Macrofagen (weefsel) → fagocytose + presenteren antigenen
• Maken cytokinen (ontsteking sturen)
Dendritische cellen
• Belangrijkste antigeenpresenterende cellen (APC)
, • Activeren T-cellen → brug tussen aangeboren en adaptief
Lymfocyten (adaptieve afweer)
• B-cellen
→ maken antistoffen (na differentiatie tot plasmacellen)
• T-helpercellen (CD4+)
→ sturen immuunrespons (activeren B-cellen en andere cellen)
• Cytotoxische T-cellen (CD8+)
→ doden virus-geïnfecteerde cellen
• NK-cellen
→ doden geïnfecteerde of tumorcellen (zonder specifieke herkenning)
Overige belangrijke cellen
• Plasmacellen → produceren grote hoeveelheden antistoffen
• Mestcellen → histamine → allergie/ontsteking
Kort samengevat (superkort):
• Neutrofiel = bacteriedoder
• Macrofage = opruimer + presentator
• Dendritische cel = start adaptieve afweer
• B-cel = antistoffen
• CD4 = regelt
• CD8 = doodt
• NK = snelle killer zonder specificiteit
Als je wil, kan ik dit ook omzetten in een supercompact spiekbriefje van 5 regels voor je
tentamen.
Hoorcollege 2 - Normale hematopoiese en stamcelbiologie 1
,Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste concepten uit hoorcollege 2 en 3 over
hematopoëtische stamcellen (HSC's) en hun niche, gebaseerd op de verstrekte bronnen.
Kenmerken van Hematopoëtische Stamcellen
Volgens de bronnen wordt een stamcel wetenschappelijk gedefinieerd op basis van zijn functie
en niet op basis van zijn immunofenotype. De vier functionele kernkenmerken van een HSC zijn:
• Self-renewal: Het vermogen om zichzelf te repliceren zonder aan potentie te verliezen.
• Multilineage differentiatie: Het vermogen om alle verschillende typen bloedcellen te
produceren.
• In staat tot symmetrische en asymmetrische delingen
(Quiescent: In essentie zijn deze cellen rustend; ze delen slechts sporadisch om zichzelf
te beschermen tegen genetische transformatie. & Long-lived: Ze blijven gedurende het
hele leven aanwezig.)
Aan de top van de bloedcelhiërarchie staat de stamcel die weinig deelt, terwijl de cellen
daaronder (progenitorcellen) vaker delen voor de daadwerkelijke productie. Iedere seconde
worden er in het lichaam ongeveer 3 miljoen nieuwe bloedcellen aangemaakt.
Celdeling en Hiërarchie
De bronnen beschrijven twee vormen van celdeling bij stamcellen:
1. Asymmetrische celdeling: Hierbij ontstaan één nieuwe stamcel (voor zelfvernieuwing)
en één progenitorcel (voor differentiatie).
2. Symmetrische celdeling: Hierbij ontstaan twee nieuwe progenitorcellen.
De bloedvorming verloopt via verschillende stadia, van de HSC naar multipotente progenitors
(MPP), en vervolgens naar lijnspecifieke voorlopers zoals de myeloïde (CMP) of lymfoïde (CLP)
lijnen. Uit deze lijnen ontstaan uiteindelijk de functionele cellen zoals erytrocyten (levensduur
~120 dagen), bloedplaatjes (levensduur ~1 week) en witte bloedcellen.
De HSC Niche
De niche is de gespecialiseerde micro-omgeving in het beenmerg die de HSC's ondersteunt en
hun gedrag reguleert. Het is een anatomisch gedefinieerde omgeving die bepaalt welke functie
een stamcel op een specifiek moment krijgt.
Belangrijke componenten en factoren in deze niche zijn:
• Cellulaire elementen: Osteoblasten (botcellen), endotheelcellen (vaatwand),
perivasculaire cellen, adipocyten en CXCL12+ adventitiële reticulaire cellen.
• Stromale signalen: De Stem Cell Factor (SCF), geproduceerd door stromale cellen, is
cruciaal voor het onderhoud van HSC's en een normale bloedvorming.
Klinische Relevantie en Pathologie
, Wanneer er mutaties ontstaan in de HSC's of wanneer de niche niet goed functioneert, kan de
normale bloedvorming verstoord raken:
• Leukemie: Bij acute leukemie werken de normale differentiatieprocessen niet meer door
mutaties in de HSC. Er is in het geval van AML vaak een specifiek verlies van normale
'hoog-output' HSC's.
• Niche-geïnduceerde oncogenesis: De bronnen introduceren het concept dat
disfunctie van de stromale cellen in de niche zelf de aanzet kan geven tot
myelodysplasie (MDS) of secundaire leukemie.
• Clonale evolutie: Factoren zoals inflammatie in de niche kunnen de selectie en
expansie van gemuteerde stamcelkloon bevorderen.
Granulocyten zijn witte bloedcellen die onderdeel zijn van het aangeboren immuunsysteem en
zorgen voor snelle, niet-specifieke afweer. Ze bevatten granula met stoffen die ziekteverwekkers
kunnen doden.
Er zijn drie typen:
• Neutrofielen: fagocyteren en doden vooral bacteriën
• Eosinofielen: bestrijden parasieten en spelen een rol bij allergieën
• Basofielen: geven histamine af bij allergische reacties
Kort: snelle afweercellen die ziekteverwekkers direct aanvallen.
Hoorcollege 4; Innate immuniteit 1
Innate vs. adaptieve respons
Aangeboren; receptoren zijn in het genoom gecodeerd en veranderen niet
- Snelle reactie
- Geen geheugenpopulatie
- Patroon herkenning
- Niet-klonale respons – immuuncellen reageren zonder eerst te delen
Adaptieve; receptoren worden gemaakt door genherschikking (recombinatie) → veel diversiteit
in receptoren. Voornamelijk B en T cellen
- Klonale respons
- Zeer specifieke herkenning
- Kost meer tijd
- Verschillend per individu
- Geheugenpopulatie → hierdoor
nemen de cellen toe
NK-cellen (natural killer); ze hebben
verschillende receptoren → inhibitie (remmend) en activerende