Hoorcollege 1 - What is Addiction?
Wat is verslaving?
• tolerantie (steeds meer nodig hebben)
• verlies van controle
• onthoudingsverschijnselen
• doorgaan ondanks schadelijke gevolgen
• sterke preoccupatie met het middel
• craving (sterk verlangen)
Waarom is verslaving belangrijk?
Verslaving heeft enorme gevolgen.
• de opioïdencrisis in de VS
• miljoenen sterfgevallen wereldwijd door
alcohol en drugs
• hoge maatschappelijke kosten
• criminaliteit
• verkeersonveiligheid
• verlies van arbeidsproductiviteit
Is verslaving een ziekte?
Oude visie: Verslaafden hebben gewoon een zwakke wil.
Moderne visie: Beschouwen verslaving als een psychiatrische stoornis: Substance Use Disorder.
DSM-5
Voor een diagnose moeten binnen 12 maanden minstens 2 van de 11 symptomen aanwezig zijn.
• meer gebruiken dan gepland
• willen stoppen maar niet kunnen
• veel tijd besteden aan gebruik
• craving
• problemen op werk/school
• relatieproblemen
• hobby's opgeven
• gevaarlijk gebruik
• doorgaan ondanks schade
• tolerantie
• onthouding
Niet iedereen raakt verslaafd
Belangrijk punt: Veel mensen proberen een middel, slechts een deel ontwikkelt een verslaving.
• alcohol: veel mensen gebruiken het, relatief klein deel wordt verslaafd
• heroïne: weinig mensen proberen het, relatief veel gebruikers ontwikkelen een verslaving
Verslaving is contextafhankelijk
De docent benadrukt dat verslaving niet los gezien kan worden van:
• cultuur, geschiedenis, omgeving en sociale context
,Verschillende soorten middelen
• tabak
• stimulantia (cocaïne, amfetamine, XTC)
• depressiva (alcohol, benzodiazepinen)
• opioïden
• hallucinogenen (LSD, cannabis, ketamine)
Neurotransmitters
Drugs veranderen de communicatie tussen zenuwcellen. Belangrijk onderscheid:
Agonist → Doet hetzelfde als een neurotransmitter (zet het signaal aan).
Antagonist → blokkeert de werking van een neurotransmitter (zet het signaal uit).
• cocaïne → remt dopamine-heropname
• MDMA → verhoogt serotonine (en dopamine)
• alcohol → werkt op meerdere systemen (o.a. GABA en NMDA)
Hoorcollege 1 deel 2 - Psychology of Addictive Behavior
De belangrijkste psychologische processen:
• plezier (reward)
• craving (desire)
• leren
• persoonlijkheid
• cognities (besluitvorming en aandacht)
Volitive desire: bewuste motivatie.
Bijvoorbeeld: Ik wil mijn diploma halen.
Appetitive desire: automatische aantrekkingskracht richting beloningen.
Bijvoorbeeld: alcohol, drugs, seks, ongezond eten
Verslaving ontstaat vooral vanuit appetitive desire.
Craving: Subjectief verlangen naar een middel.
Relapse: Terugval na een periode van abstinentie.
Detox is vaak niet het grootste probleem. Craving veroorzaakt meestal de terugval.
Oorzaken van craving - 3 belangrijke triggers:
1. Priming: Een kleine hoeveelheid van het middel activeert opnieuw craving.
2. Stress: Negatieve emoties vergroten craving.
3. Geconditioneerde prikkels: een café, een injectienaald, vrienden, muziek
Deze kunnen craving oproepen zonder dat het middel aanwezig is.
Operante conditionering Skinner (Gebruik wordt beloond)
Positieve bekrachtiging: Gebruik geeft plezier.
Negatieve bekrachtiging: Gebruik haalt iets vervelends weg.
Positieve/negatieve bekrachtiging: p: hamburger / n: removing annoying sound
Positieve/negatieve straf: p: giving an electric shock / n: removing something pleasant/time-out
,Klassieke conditionering: leerproces dat onbewust en automatisch gaat
Operant conditioneren: actieve vorm van conditionering, want persoon moet iets doen
Klassieke conditionering (Pavlov)
Neutrale prikkels worden gekoppeld aan drugs.
Bijvoorbeeld: Injectienaald → cocaïne
Na herhaald gebruik: Injectienaald → craving.
Hierdoor kunnen gewone omgevingen automatisch verlangen oproepen.
Context is belangrijk
De Vietnam-studie laat zien dat heroïnegebruik sterk afhankelijk was van de oorlogsomgeving.
Na terugkeer naar de VS viel slechts een klein deel terug.
De omgeving speelt dus een grote rol bij verslaving
Incentive Sensitization Theory Robinson & Berridge:
Na langdurig gebruik gebeurt iets opvallends: Wanting
(craving) ↑, maar Liking (plezier) ↓
Craving (wanting) increases
Pleasure (liking) decreases
Persoonlijkheid
Niet iedereen loopt evenveel risico.
Belangrijke risicofactoren:
• impulsiviteit
• sensation seeking
• genetische aanleg, anhedonie, angst, laag zelfbeeld
Impulsiviteit - Één van de sterkste voorspellers van:
• vroeg middelengebruik, verslaving, terugval, gedragsverslavingen
, Hoofdstuk 7 - Contemporary Psychological Theories of Addiction
Hoofdboodschap
Volgens dit hoofdstuk ontstaat verslaving niet alleen door de drug, maar vooral doordat leren,
geheugen en cognitieve processen veranderen. Daardoor blijven mensen gebruiken, ook als ze
weten dat het schadelijk is.
Gedrag wordt aangeleerd
De auteurs zeggen dat verslaving vooral een geleerd gedrag is.
Door herhaald drugsgebruik leer je:
• wanneer je gebruikt, waar je gebruikt, met wie je gebruikt, welk gevoel je verwacht.
Na verloop van tijd gebeurt dit bijna automatisch.
Operante conditionering (Skinner)
Gedrag wordt beloond.
Positieve bekrachtiging: Drug gebruiken → prettig gevoel → vaker gebruiken.
Negatieve bekrachtiging: Drug gebruiken → stress of onthouding verdwijnt → vaker gebruiken.
Beide zorgen ervoor dat het gebruik wordt aangeleerd.
Klassieke conditionering (Pavlov)
Neutrale prikkels worden gekoppeld aan drugs.
• café, vrienden, spuit, muziek
Na een tijdje veroorzaken deze prikkels automatisch:
• craving, lichamelijke reacties, gebruiksgedrag.
Cue-reactivity
Cue: prikkel
Drug-gerelateerde prikkels zorgen voor:
• craving, aandacht voor drugs, grotere kans op terugval
Voorbeeld: Je bent gestopt met roken → Je loopt langs iemand die rookt → Ineens krijg je trek.
Conditioned tolerance
Normaal denk je: tolerantie ontstaat alleen door het lichaam.
Maar dit hoofdstuk zegt: Ook de omgeving speelt een rol.
Je hersenen leren: "Ik ben thuis → straks komt heroïne."
Daardoor bereiden je hersenen zich alvast voor. Dit heet conditioned tolerance.
Conditioned withdrawal
Ook onthoudingsverschijnselen kunnen worden aangeleerd.
Bijvoorbeeld: Iemand rijdt langs zijn oude co eeshop.
Alleen de omgeving kan al gevoelens oproepen alsof hij aan het afkicken is.
Dat verhoogt de kans op terugval.
Cognitieve theorieën
Deze kijken niet alleen naar gedrag. Ze kijken ook naar:
• gedachten, verwachtingen, overtuigingen, aandacht en geheugen.
ff