Hoorcollege 1 – Introductie bestuurs- en organisatiewetenschap
Bestuurs- en organisatiewetenschap bestuderen deels dezelfde werkelijkheid, maar
vanuit een ander perspectief.
Bestuurswetenschap Organisatiewetenschap
Richt zich vooral op bestuurders, Richt zich vooral op managers,
beleidsmakers en overheid professionals en uitvoerders.
Macro: het grotere systeem en de Meso/micro: de interne organisatie en de
maatschappelijke context mensen daarbinnen.
Richting: wat willen we bereiken? Inrichting: hoe organiseren we dat?
Vaker normatief: hoe zou iets moeten Vaker descriptief: hoe werkt iets in de
werken? praktijk?
De rol van organisaties is steeds groter geworden. Daarom spreekt het college van een
organisatiesamenleving: een samenleving waarin organisaties een centrale rol spelen
in de inrichting van ons dagelijks leven.
Volgens Mary Jo Hatch ontstaat een organisatie wanneer mensen hun activiteiten
coördineren om een bepaald doel te bereiken. Een organisatie is niet eenduidig:
- Product én proces: een organisatie kan een bestaande structuur zijn, maar
organiseren is ook een voortdurend proces van afstemmen en samenwerken.
- Orde én wanorde: organisaties hebben regels, structuren en procedures, maar
in de praktijk ontstaan ook conflicten, onverwachte situaties en improvisatie.
Het ziekenhuis heeft een formele hiërarchie, afdelingen en protocollen (orde/product),
maar medewerkers moeten voortdurend overleggen en improviseren bij onverwachte
situaties (wanorde/proces).
Een belangrijk uitgangspunt van het vak is dat de manier waarop je naar een organisatie
kijkt, bepaalt wat je ziet.
Perspectief Betekenis
Positivisme Gaat uit van een objectief bestaande werkelijkheid die
wetenschappelijk kan worden onderzocht en gemeten.
Constructivisme Gaat ervan uit dat mensen betekenis geven aan hun
werkelijkheid en deze daarmee sociaal construeren.
Managerialism Onderzoekt hoe organisaties effectiever kunnen worden
bestuurd, vaak vanuit het perspectief van managers.
Kritisch-afstandelijke Onderzoekt organisaties met kritische afstand,
benadering bijvoorbeeld met aandacht voor machtsverschillen en de
belangen van werknemers.
Positivisme versus constructivisme gaat over hoe je de werkelijkheid begrijpt en
onderzoekt; Managerialism versus kritiek gaat over de positie van de onderzoeker.
,Een theorie is een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, niet de
werkelijkheid zelf. Net zoals een landkaart bepaalde kenmerken laat zien en andere
weglaat, belicht elke organisatietheorie slechts een deel van de organisatie. Daarom
kunnen verschillende theorieën elkaar aanvullen, maar ook tegenspreken.
Hoorcollege 2 – De opkomst van de organisatiesamenleving
Door de industriële revolutie veranderde de samenleving ingrijpend. Kleinschalige
landbouw, ambachten en lokale gemeenschappen maakten steeds meer plaats voor
fabrieken, steden, loonarbeid en grootschalige ondernemingen.
Periode Kenmerken
Begin 19e eeuw Kleine bedrijven met een eigenaar die zelf leidinggeeft;
productie voor lokale markten.
1850-1930 (opkomst), Grote ondernemingen, professionele bestuurders en
1930-1970 massaproductie voor grote markten (Big Business)
Vanaf 1970 Opkomst van nieuwe, minder starre organisatievormen, met
meer aandacht voor maatwerk en decentrale markten.
De belangrijkste verandering is de overgang van een samenleving waarin familie, kerk en
dorpsgemeenschap een centrale rol speelden naar en samenleving waarin formele
organisaties steeds meer activiteiten coördineren.
De opkomst van Big Business
Door de groei van bedrijven ontstonden steeds grotere en complexere organisaties.
Kenmerken hiervan zijn:
- Taakdifferentiatie: werkzaamheden worden opgesplitst in gespecialiseerde
taken.
- Horizontale integratie: samenwerking, fusies of overnames tussen
concurrerende bedrijven.
- Verticale integratie: bedrijven combineren verschillende schakels van de
productieketen, zoals productie en distributie.
- Extern kapitaal: ondernemingen worden steeds vaker gefinancierd via banken en
de beurs.
- Oligopolie: een markt wordt beheerst door een beperkt aantal grote
ondernemingen.
- Managerial revolution: professionele managers nemen de dagelijkse leiding
steeds meer over van de eigenaren.
Belangrijk verband: naarmate bedrijven groter en ingewikkelder werden, groeide de
behoefte aan systematische coördinatie, regels en professioneel management. Dit helpt
verklaren waarom bureaucratische en rationele organisatievormen zo belangrijk werden.
,Drie processen die samen de overgang naar een moderne organisatiesamenleving
verklaren:
Proces Betekenis Voorbeeld
Differentiatie en Werk wordt opgesplitst in In een fabriek verricht
machtsconcentratie gespecialiseerde taken en iedere werknemer een
ondergebracht in centraal specifieke taak, terwijl de
geleide organisaties. leiding beslissingen
coördineert.
Commodificatie Activiteiten en arbeid Werknemers verkopen hun
(verwarring) worden behandeld als arbeid in ruil voor loon.
koopwaar met een
economische waarde.
Rationalisatie Activiteiten worden steeds Productienormen, vaste
meer geordend, verrekend procedures en
en gestandaardiseerd om prestatiemetingen.
ze voorspelbaar en
beheersbaar te maken.
Samenhang:
Door differentiatie wordt werk verdeeld over gespecialiseerde functies. Daardoor wordt
coördinatie noodzakelijk en kan macht bij de leiding worden geconcentreerd.
Rationalisatie zorgt vervolgens voor regels, procedures en berekeningen om al deze
werkzaamheden efficiënt aan te sturen. Tegelijkertijd zorgt commodificatie ervoor dat
arbeid en prestaties in economische termen worden uitgedrukt. Deze processen
versterken elkaar en dragen bij aan de opkomst van grote, formeel georganiseerde
ondernemingen.
Deze drie processen komen ook terug in Scientific management van Frederick Taylor:
Onderdeel van Scientific Management Historisch proces
Standaardisatie en formalisatie van werk Rationalisatie
Horizontale arbeidsverdeling (verschillende taken) Differentiatie
Verticale arbeidsverdeling (leiding versus uitvoering) Machtsconcentratie
Prestatieloon (beloning gekoppeld aan output) Commodificatie
, Hoorcollege 3 – bureaucratisch bestuur: Fredrick Taylors “Wetenschappelijk” management
Tijdens de Industriële Revolutie (IR) groeiden bedrijven uit tot grote fabrieken waarin
steeds mee werknemers samenwerkten. Daardoor ontstond behoefte aan een efficiënte
manier om arbeid te verdelen, productie te verhogen en werknemers aan te sturen.
Adam Smith (Schotland, 1723-1790) was een belangrijke
voorloper van deze manier van denken. In The Wealth of
Nations (1776) beschreef hij het belang van arbeidsdeling
en specialisatie: in plaats van één werknemer een volledig
product te laten maken, wordt het productieproces
opgesplitst in afzonderlijke taken. Werknemers
specialiseren zich, waardoor het werk sneller en efficiënter kan worden uitgevoerd.
Deze gedachte vormde een belangrijke basis voor het latere Scientific Management van
Frederick Taylor. En onderstaande mannen hadden allemaal deze soortgelijke visie.
(!) Frederick Taylor – Scientific Management (Taylorisme)
Frederick Taylor (1856-1915) ontwikkelde rond 1900 het Scientific
Management, ook wel Taylorisme genoemd. Hij wilde productiviteit en
efficiëntie van fabrieken verhogen door werkprocessen op een
wetenschappelijke en systematische manier te organiseren.
Taylor beschouwde de organisatie als een rationeel ontworpen machine:
iedere werknemer heeft een specifieke functie en alle onderdelen moet
efficiënt samenwerken. Het management moest werkprocessen
nauwkeurig analyseren en vaststellen wat de meest efficiënte werkwijze
was. Dit wordt ook wel rationeel-bureaucratische sturing genoemd.
Zijn benadering bestaat uit drie hoofdkenmerken:
1. Standaardisatie en formalisatie
Taylor noteerde nauwkeurig hoe werknemers hun taken uitvoerden en hoelang
verschillende handelingen duurden.
- Standaardisatie: werkzaamheden worden zoveel mogelijk op dezelfde, vooraf
vastgestelde manier uitgevoerd.
- Formalisatie: taken, gedragsregels en werkprocedures worden schriftelijk
vastgelegd.
Bestuurs- en organisatiewetenschap bestuderen deels dezelfde werkelijkheid, maar
vanuit een ander perspectief.
Bestuurswetenschap Organisatiewetenschap
Richt zich vooral op bestuurders, Richt zich vooral op managers,
beleidsmakers en overheid professionals en uitvoerders.
Macro: het grotere systeem en de Meso/micro: de interne organisatie en de
maatschappelijke context mensen daarbinnen.
Richting: wat willen we bereiken? Inrichting: hoe organiseren we dat?
Vaker normatief: hoe zou iets moeten Vaker descriptief: hoe werkt iets in de
werken? praktijk?
De rol van organisaties is steeds groter geworden. Daarom spreekt het college van een
organisatiesamenleving: een samenleving waarin organisaties een centrale rol spelen
in de inrichting van ons dagelijks leven.
Volgens Mary Jo Hatch ontstaat een organisatie wanneer mensen hun activiteiten
coördineren om een bepaald doel te bereiken. Een organisatie is niet eenduidig:
- Product én proces: een organisatie kan een bestaande structuur zijn, maar
organiseren is ook een voortdurend proces van afstemmen en samenwerken.
- Orde én wanorde: organisaties hebben regels, structuren en procedures, maar
in de praktijk ontstaan ook conflicten, onverwachte situaties en improvisatie.
Het ziekenhuis heeft een formele hiërarchie, afdelingen en protocollen (orde/product),
maar medewerkers moeten voortdurend overleggen en improviseren bij onverwachte
situaties (wanorde/proces).
Een belangrijk uitgangspunt van het vak is dat de manier waarop je naar een organisatie
kijkt, bepaalt wat je ziet.
Perspectief Betekenis
Positivisme Gaat uit van een objectief bestaande werkelijkheid die
wetenschappelijk kan worden onderzocht en gemeten.
Constructivisme Gaat ervan uit dat mensen betekenis geven aan hun
werkelijkheid en deze daarmee sociaal construeren.
Managerialism Onderzoekt hoe organisaties effectiever kunnen worden
bestuurd, vaak vanuit het perspectief van managers.
Kritisch-afstandelijke Onderzoekt organisaties met kritische afstand,
benadering bijvoorbeeld met aandacht voor machtsverschillen en de
belangen van werknemers.
Positivisme versus constructivisme gaat over hoe je de werkelijkheid begrijpt en
onderzoekt; Managerialism versus kritiek gaat over de positie van de onderzoeker.
,Een theorie is een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, niet de
werkelijkheid zelf. Net zoals een landkaart bepaalde kenmerken laat zien en andere
weglaat, belicht elke organisatietheorie slechts een deel van de organisatie. Daarom
kunnen verschillende theorieën elkaar aanvullen, maar ook tegenspreken.
Hoorcollege 2 – De opkomst van de organisatiesamenleving
Door de industriële revolutie veranderde de samenleving ingrijpend. Kleinschalige
landbouw, ambachten en lokale gemeenschappen maakten steeds meer plaats voor
fabrieken, steden, loonarbeid en grootschalige ondernemingen.
Periode Kenmerken
Begin 19e eeuw Kleine bedrijven met een eigenaar die zelf leidinggeeft;
productie voor lokale markten.
1850-1930 (opkomst), Grote ondernemingen, professionele bestuurders en
1930-1970 massaproductie voor grote markten (Big Business)
Vanaf 1970 Opkomst van nieuwe, minder starre organisatievormen, met
meer aandacht voor maatwerk en decentrale markten.
De belangrijkste verandering is de overgang van een samenleving waarin familie, kerk en
dorpsgemeenschap een centrale rol speelden naar en samenleving waarin formele
organisaties steeds meer activiteiten coördineren.
De opkomst van Big Business
Door de groei van bedrijven ontstonden steeds grotere en complexere organisaties.
Kenmerken hiervan zijn:
- Taakdifferentiatie: werkzaamheden worden opgesplitst in gespecialiseerde
taken.
- Horizontale integratie: samenwerking, fusies of overnames tussen
concurrerende bedrijven.
- Verticale integratie: bedrijven combineren verschillende schakels van de
productieketen, zoals productie en distributie.
- Extern kapitaal: ondernemingen worden steeds vaker gefinancierd via banken en
de beurs.
- Oligopolie: een markt wordt beheerst door een beperkt aantal grote
ondernemingen.
- Managerial revolution: professionele managers nemen de dagelijkse leiding
steeds meer over van de eigenaren.
Belangrijk verband: naarmate bedrijven groter en ingewikkelder werden, groeide de
behoefte aan systematische coördinatie, regels en professioneel management. Dit helpt
verklaren waarom bureaucratische en rationele organisatievormen zo belangrijk werden.
,Drie processen die samen de overgang naar een moderne organisatiesamenleving
verklaren:
Proces Betekenis Voorbeeld
Differentiatie en Werk wordt opgesplitst in In een fabriek verricht
machtsconcentratie gespecialiseerde taken en iedere werknemer een
ondergebracht in centraal specifieke taak, terwijl de
geleide organisaties. leiding beslissingen
coördineert.
Commodificatie Activiteiten en arbeid Werknemers verkopen hun
(verwarring) worden behandeld als arbeid in ruil voor loon.
koopwaar met een
economische waarde.
Rationalisatie Activiteiten worden steeds Productienormen, vaste
meer geordend, verrekend procedures en
en gestandaardiseerd om prestatiemetingen.
ze voorspelbaar en
beheersbaar te maken.
Samenhang:
Door differentiatie wordt werk verdeeld over gespecialiseerde functies. Daardoor wordt
coördinatie noodzakelijk en kan macht bij de leiding worden geconcentreerd.
Rationalisatie zorgt vervolgens voor regels, procedures en berekeningen om al deze
werkzaamheden efficiënt aan te sturen. Tegelijkertijd zorgt commodificatie ervoor dat
arbeid en prestaties in economische termen worden uitgedrukt. Deze processen
versterken elkaar en dragen bij aan de opkomst van grote, formeel georganiseerde
ondernemingen.
Deze drie processen komen ook terug in Scientific management van Frederick Taylor:
Onderdeel van Scientific Management Historisch proces
Standaardisatie en formalisatie van werk Rationalisatie
Horizontale arbeidsverdeling (verschillende taken) Differentiatie
Verticale arbeidsverdeling (leiding versus uitvoering) Machtsconcentratie
Prestatieloon (beloning gekoppeld aan output) Commodificatie
, Hoorcollege 3 – bureaucratisch bestuur: Fredrick Taylors “Wetenschappelijk” management
Tijdens de Industriële Revolutie (IR) groeiden bedrijven uit tot grote fabrieken waarin
steeds mee werknemers samenwerkten. Daardoor ontstond behoefte aan een efficiënte
manier om arbeid te verdelen, productie te verhogen en werknemers aan te sturen.
Adam Smith (Schotland, 1723-1790) was een belangrijke
voorloper van deze manier van denken. In The Wealth of
Nations (1776) beschreef hij het belang van arbeidsdeling
en specialisatie: in plaats van één werknemer een volledig
product te laten maken, wordt het productieproces
opgesplitst in afzonderlijke taken. Werknemers
specialiseren zich, waardoor het werk sneller en efficiënter kan worden uitgevoerd.
Deze gedachte vormde een belangrijke basis voor het latere Scientific Management van
Frederick Taylor. En onderstaande mannen hadden allemaal deze soortgelijke visie.
(!) Frederick Taylor – Scientific Management (Taylorisme)
Frederick Taylor (1856-1915) ontwikkelde rond 1900 het Scientific
Management, ook wel Taylorisme genoemd. Hij wilde productiviteit en
efficiëntie van fabrieken verhogen door werkprocessen op een
wetenschappelijke en systematische manier te organiseren.
Taylor beschouwde de organisatie als een rationeel ontworpen machine:
iedere werknemer heeft een specifieke functie en alle onderdelen moet
efficiënt samenwerken. Het management moest werkprocessen
nauwkeurig analyseren en vaststellen wat de meest efficiënte werkwijze
was. Dit wordt ook wel rationeel-bureaucratische sturing genoemd.
Zijn benadering bestaat uit drie hoofdkenmerken:
1. Standaardisatie en formalisatie
Taylor noteerde nauwkeurig hoe werknemers hun taken uitvoerden en hoelang
verschillende handelingen duurden.
- Standaardisatie: werkzaamheden worden zoveel mogelijk op dezelfde, vooraf
vastgestelde manier uitgevoerd.
- Formalisatie: taken, gedragsregels en werkprocedures worden schriftelijk
vastgelegd.