Een staat: een groep mensen, wonend in een gebied waar de grondwaarden van die
gemeenschap in leefregels zijn neergelegd en bovendien worden gehandhaafd.
● Een organisatie met voorrang boven andere organisaties
● Die gezag uit oefent
● Over en gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied
Een staat beschikt altijd over een mechanisme om de naleving van regels af te dwingen. Dit
gebeurt via de organen van de staat. Deze organen zijn met gezag bekleed. Er bestaat geen
hogere organisatie die de staat kan verplichten zich aan deze regels te houden, de staat is
de hoogste organisatie, met voorrang op alle andere. Gezag is in zekere mate afgeleid uit
vrijheid: het zijn beperkingen die mensen zichzelf opleggen om samen te kunnen leven. De
overheersende overtuiging is ook dat iedere burger gelijkwaardig is. Het beginsel van
gelijkheid vormt de basis van democratie. Om te voorkomen dat de gekozen bestuurders te
veel macht naar zich toe trekken, wordt het gezag verdeeld over verschillende organen. Zo
ontstaat er een evenwicht en stabiel systeem van checks and balances. Montesquieu
beschreef de trias politica:
● een wetgevende macht die wetten maakt
● een uitvoerende macht die wetten uitvoert
● een rechterlijke macht die toezicht houdt op de uitvoering van wetten
In de praktijk liggen de verschillende machten niet zo strikt apart. De wetgevende macht ligt
bij zowel de regering als het parlement. Daarnaast controleert het parlement de regering
(checks and balances).
Basisprincipes van een rechtsstaat:
● De staat erkent dat individuen en particuliere instellingen een staatsvrije sfeer
toekomt.
● Handelen van het bestuur dat voor de burger bezwarend is, moet berusten op een
bepaling waarin de bevoegdheid tot dit handelen is gegeven
● De regels waarin een bevoegd van een staatsorgaan is omschreven, moet door een
ander orgaan zijn vastgesteld
● Geschillen tussen staat en burger moeten worden beslecht door een onafhankelijke
en onpartijdige rechter
Kenmerken van een democratie:
● Vrije en anonieme verkiezingen: burgers hebben gelijke rechten om te kiezen en
om gekozen te worden
● Openheid van machtswisseling: verkiezingen moeten niet alleen bestaan, maar
ook daadwerkelijk kunnen veranderen
● Een centrale rol voor het parlement: het parlement vertegenwoordigt de bevolking
en moet een beslissende stem hebben bij het maken van wetten
Grondregels van een democratische rechtsstaat:
1. Geen bevoegdheid zonder grondslag in de wet of Grondwet: een van de
belangrijkste grondregels is het legaliteitsbeginsel. De overheid mag alleen
bevoegdheden uitoefent als daar een wettelijke grondslag voor bestaat
2. Niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder verantwoording schuldig te
zijn of zonder dat op de uitoefening controle bestaat: uitoefening van macht moet