Verbintenis: een vermogensrechtelijke verhouding tussen twee partijen krachten welke de
een (schuldeiser) is gerechtigd tot een prestatie van de ander (schuldenaar).
schuldeiser schuldenaar
vorderingsrecht: recht om een bepaalde schuld
prestatie te eisen
rechtsvordering: prestatie af te dwingen bij aansprakelijkheid
de rechter
executierecht uitwinbaar: beslag leggen op vermogen
Bronnen van verbintenissen: 6:1 BW
1. Volgens de wet aangeschreven (bv overeenkomst en de onrechtmatige daad)
2. Uit het ongeschreven recht (bv ´doen of nalaten in strijd met ongeschreven recht od)
3. Passend in het stelsel van de wet → Quint/Te Poel arrest
Een rechtshandeling is een rechtsfeit dat is gericht op het tot stand brengen van een
rechtsgevolg. Hiervan is sprake indien er een verandering optreedt in de bestaande rechten
en plichten. Een rechtshandeling vereist ook een op rechtsgevolg gerichte wil. 3:33 BW
Overeenkomst 6:213 jo. 6:217 BW
● Aanbod in de zin van 6:217 is een rechtshandeling: een wilsverklaring. Het aanbod
kan in beginsel in iedere vorm geschieden 3:37 lid 1 BW. Niet ieder aanbod is echter
een aanbod in de zin van 6:217 → HR Hofland/Hennis
- Herroepelijk aanbod: 6:219 lid 1 BW een aanbod is herroepelijk tenzij uit het
aanbod onherroepelijkheid volgt. De aanbieder kan terugkomen op zijn
aanbod door het tijdig in te trekken.
- Onherroepelijk aanbod: 6:219 lid 2 BW herroeping is niet meer mogelijk als
het aanbod al is aanvaard.
- Vrijblijvend aanbod: 6:219 lid 2 tweede zin BW een aanbieder kan na
aanvaarding nog terugkomen op zijn aanbod door haar ´onverwijld´ te
verklaren.
● Aanvaarding:
- Kan in iedere vorm geschieden, tenzij anders is bepaald
- Moet gericht zijn tot de aanbieder
- Moet inhoudelijk overeenkomen met het aanbod
- Moet gericht zijn op een geldig aanbod
3:37 lid 3 tweede zin BW geeft 3 uitzondering wanneer het niet tijdig bereiken van de
aanvaarding voor het risico komt voor de ontvanger:
1. eigen handeling (bv op reis gaan zonder zaken te regelen)
2. iemand in zijn sfeer (bv een secretaresse)
3. persoonlijk betreffende omstandigheden (bv ongeval)
, Wilsvertrouwensleer 3:33 jo. 3:35 BW
● Er moet een duidelijke wilsverklaring zijn van beide partijen. Als deze ontbreekt is er
volgens 3:33 geen sprake van een rechtshandeling
● Krachten 3:34 BW ontbreekt de wil indien er sprake is van een geestelijke stoornis.
De geestelijke gestoorde moet wel kunnen aantonen dat de stoornis een redelijke
waardering bij de rechtshandeling belette. En dat zijn verklaring onder invloed van de
stoornis is gedaan. → vernietigbaar
● 3:35 BW beschermt de wederpartij van een geestelijke gestoorde die het
gerechtvaardigde vertrouwen had dat de ene partij door haar verklaring
daadwerkelijk hetgeen wilde wat hij verklaarde. Hiervoor is wel goede trouw vereist in
de zin van 3:11 BW, en is er enige mate van onderzoeksplicht.
● Het kan zijn dat het krachtens de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid 6:2 en
6:248 BW onaanvaardbaar is om het gerechtvaardigd vertrouwen te honoreren.
Partijen zijn gebonden aan algemene voorwaarden 6:232 BW. De gebruiker moet eenvoudig
kenbaar maken dat hij aan de algemene voorwaarden deel wil laten maken van de
overeenkomst. Dit kan uitdrukkelijk of stilzwijgend. De partijen zijn gebonden aan de
algemene voorwaarden, ook als ze de inhoud ervan niet wisten.
Nietigheid: een rechtshandeling is nietig wanneer die vanaf het begin af aan ongeldig was.
De rechtshandeling is daarmee krachteloos, en heeft dus ook geen rechtsgevolgen. (bv in
strijd met openbare orde, of rechtshandelingen die niet volgens de voorgeschreven vorm zijn
opgemaakt)
Vernietigbaarheid: er was sprake van een volkomen geldige rechtshandeling, alleen is deze
op een gebrekkige wijze tot stand gekomen. Vernietiging werkt met terugwerkende kracht
3:53 BW. (bv dwaling)
Eigendom 5:1 BW wordt omschreven als het meest omvattende recht dat een persoon op
een zaak kan hebben.
- vrije genot van zaak
- bevoegdheid om over zijn zaak te beschikken
- de eigenaar mag zijn recht niet uitoefenen in strijd met de wet of de rechten van
andere
- misbruik van eigendomsrecht 3:13 BW
Eigendom is een absoluut recht: kan kan tegen iedereen worden gehandhaafd.
Relatief recht kan slechts tegenover bepaalde personen worden uitgeoefend.
Absolute recht heeft 3 kenmerken:
- zaaksgevolg (droit de suite): het recht blijft op de zaak rusten, ook als het in de
handen komt van een derde. Het recht blijft dus verbonden aan de zaak zelf.
- separist (droit de préférence): de eigenaar kan zijn eigendom opeisen uit de failliete
boedel, alsof er geen faillissement bestaat.
Absolute rechten kunnen rusten op goederen en op immateriële goederen. Dit zijn de
intellectuele-eigendomsrechten, bv auteursrecht, octrooirecht en handelsnaamrecht. Zij
hebben geen goed als object maar hun object is het geestesproduct zelf. Zijn dus volgens
wettelijke definities ook geen goederen.