Hoofdstuk 2
Het is bij belastingheffing belangrijk om te weten van wie er belasting wordt geheven (belasting
subject) en waarover belasting wordt geheven (belasting object). De belastingsubjecten zijn te
verdelen in menen (natuurlijke personen)n en lichamen (rechtspersonen)
soort belasting belastingobject
erfbelasting ontvangen over ontvangen erfenis
inkomstenbelasting Wet IB 2001 mensen over hun inkomen
kansspelbelasting mensen over gewonnen prijs uit een kansspel
loonbelasting mensen over hun loon
motorrijtuigenbelasting mensen over motorvoertuigen bezit
omzetbelasting ondernemers over de toegevoegde waarde omzet
onroerendezaakbelasting mensen over hun eigen pand
overdrachtsbelasting mensen over verkrijging onroerende zaak
schenkbelasting mensen over ontvangen schenking
vennootschapsbelasting lichamen over hun winst
Andere aspecten die van belang zijn om de hoogte en tijdstip van de belasting te bepalen zijn: de
heffingsgrondslag (het bedrag waarover de belasting moet worden geheven) en het
genietingsmoment (het moment waarop de belasting wordt geheven).
Functies van belastingen
Budgettaire functie: de kosten voor de collectieve uitgaven worden betaald uit de ‘’schatkist’’
waarvan de belangrijkste inkomstenbron de belastingopbrengst is. Belastingen worden geheven om
budget te creëren voor collectieve uitgaven.
Waarborgfunctie: de waarden van de rechtsstaat worden erdoor gewaarborgd. de fiscale wetgeving
moet bijvoorbeeld rechtsgelijkheid en rechtszekerheid bieden.
Instrumentele functie: belastingen worden ingezet als middel om een bepaald sociaal of economisch
doel te bereiken.
Rechtvaardigingsgronden
Om te waarborgen dat er op rechtmatige wijze belasting wordt geheven, bestaat het fiscale
legaliteitsbeginsel: belastingen mogen slechts worden geheven uit kracht van een voorgaande wet. 3
beginselen zijn van belang: gelijkheidsbeginsel, profijtbeginsel (je moet belasting betalen omdat je
,gebaat bent bij de voorzieningen die de overheid treft), en het draagkrachtbeginsel (wanneer men
een hoger inkomen heeft zal deze ook meer belasting kunnen betalen).
Het draagkrachtbeginsel gaat uit van het principe dat de mate van belastingheffing afhangt van
iemands mogelijkheid om belasting te betalen. Om de draagkracht van een belastingplichtige te
kunnen vaststellen wordt er rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden.
Wet inkomstenbelasting 2001
De wet IB 2001 kent een boxensysteem: de verschillende inkomensbestanddelen zijn ondergebracht
in 3 aparte boxen. Het totaal van die 3 is het verzameling inkomen.
● Box 1 → ziet op het inkomen uit werk en woning. In deze box is belast het inkomen behaald
met bijvoorbeeld onderneming of eigen woning. Alles wat onder box 1 valt staat in 3.1 IB
2001.
● Box 2 → Hierin is opgenomen inkomen uit aanmerkelijk belang. Dit is inkomen behaald als je
meer dan 5% aandelen hebt in een besloten of naamloze vennootschap. Het belastbare
inkomen van aanmerkelijk belang moet worden vergeleken met de verliezen uit aanmerkelijk
belang. Een bv heeft rechtspersoonlijkheid en een eenmanszaak niet. Inkomen uit aandelen
kan worden behaald door een dividenduitkering of door de aandelen te verkopen 4.12 IB
2001.
● Box 3 → dit is de vermogensrendementsheffing. Dit betreft inkomen dat iemand behaald uit
zijn vermogen, dus bv spaarrekeningen. Alles wat belast kan worden onder box 3 staat in 5.3
IB 200. Het forfaitaire rendement 5.2 lid 2 IB 2001 is een aangenomen winst die de
Belastingdienst denkt dat je maakt op je spaargeld en beleggingen. Over die verzonnen winst
betaal je belasting, ook als je in werkelijkheid minder of niets hebt verdiend. Heffingsvrije
vermogen voor partners 2x. Je mag aantonen dat het feitelijke rendement lager is dan het
geschatte rendement is.
Sommige inkomensbestanddelen kunnen in meerdere boxen vallen. Hiervoor bestaat de
rangorderegeling 2.14 lid 1 IB 2001 het eerst genoemde wetsartikel gaat voor. Box 1 wordt eerder
genoemd en gaat dus voor op box 2 en 3. Voor de allocatie van schulden, moet worden nagegaan
waarvoor de schuld is aangegaan. Als de bezitting valt in box 1, dan valt de schuld dus ook in box 1.
box 1 box 2 box 3 2.13 IB 2001
heffingsgrondslag - reëel inkomen, behalve - reëel inkomen - fictief inkomen over de
bij eigen woning - verliezen aftrekbaar, rendementsgrondslag
-verliezen aftrekbaar maar in de tijd beperkt - verliezen niet
maar in de tijd beperkt aftrekbaar
tarief progressief tarief tot progressief tarief tot tarief van 36%
49,50% 31%
genietingsmoment moment van ontvangst moment van ontvangst 1 januari
of vervreemding
Bedragen tussen de boxen kunnen niet onderling worden verrekend. Dus als je in box 1 een inkomen
heeft van 50.000 en in box 2 en een verlies van 60.000, moet alsnog de belasting van box 1 worden
betaald en zijn de verliezen van box 2 aftrekbaar. Dit is dus niet in overeenstemming met het
, draagkrachtbeginsel. Er bestaan hierop wel nog 2 uitzonderingen. Ten eerste kan de
persoonsgebonden aftrek worden verrekend tussen de boxen 6.2 IB 2001. De tweede uitzondering
heeft betrekking op verlies uit aanmerkelijk belang 4.53 IB 2001. Maximaal 31% van dit verlies is toch
verrekenbaar met inkomen uit box 1 als de belastingplichtige een jaar lang geen aanmerkelijke
belangenhouder meer is en nog een te verrekenen verlies openstaat .
De algemene heffingskorting 8.1 IB 2001 is een heffingskorting voor iedere
inkomstenbelastingplichtige en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen: hoe hoger het
inkomen, hoe lager de algemene heffingskorting. De arbeidskorting is een belastingkorting die enkel
geldt voor werkende en bestaat uit een percentage van het inkomen uit arbeid. De arbeidskorting
8.11 IB 2001 wordt berekend met de arbeidskortingsgrondslag: het gezamenlijke bedrag van hetgeen
met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meerdere ondernemingen, loon en
resultaat uit werkzaamheden. Het is een instrument om de arbeidsparticipatie te stimuleren.
De persoonsgebonden aftrek 6.1 IB 2001 is een inkomensaftrek voor uitgaven die zijn gedaan in
verband met de persoonlijke situatie van een belastingplichtige.
Voorbeeld:
loon: 20.000 euro
persoonsgebonden aftrek: 3000 euro
heffingskorting: 4000 euro
20.000 - 3000 = 17.000 euro, hierover moet dan nog belasting worden betaald in box 1. Het tarief is
35,82% x 17.000 = 6.089,4 euro. Daar gaat nog 4000 euro vanaf dus dan blijft er 2.089,4 euro aan
belasting dat moet worden betaald over.
Een persoon kan slechts 1 fiscale partner hebben. Indien een persoon meer dan 1 echtgenoot heeft
geldt alleen de oudste verbintenis. 2.17 IB 2001: gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van de
belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen te komen of tot hun bezit te behoren, in de
onderlinge verhouding die zij bij het doen van de aangifte kiezen. Volgens de wet IB zijn de volgende
personen partners: 1.2 IB 2001 en 5a AWR
1. echtgenoten: tenzij ze gescheiden zijn of niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven en
een verzoek tot scheiding hebben ingediend
2. ongehuwde meerderjarige, met notarieel samenlevingscontract en ingeschreven op
hetzelfde adres
3. verhuizing naar verpleeghuis verbreekt partnerschap niet, tenzij daarom wordt verzocht.
Hoofdstuk 3
Aan het inkomstenbegrip van de Wet IB 2001 ligt de bronnentheorie ten grondslag. Deze theorie
houdt in dat een positief en negatief voordeel alleen tot het belastbare inkomen kan behoren indien
het voortkomt uit een bron van inkomen. Als er geen sprake is van een inkomstenbron behoort het
voordeel (positief of negatief) niet tot het belastbare inkomen. We spreken dan van een
buitenbronelijk voordeel, dat mogelijk wel op een andere manier wordt belast. Een definitie van een
wanneer er sprake is van een bron van inkomen ontbreekt in de wet. Hierdoor kan de invulling
worden afgestemd op maatschappelijke opvattingen. Uit jurisprudentie valt af te leiden dat een
behaald voordeel geldt als inkomstenbron, indien: