Jurisprudentie in context
Jurisprudentie inleiding verbintenissenrecht- lesstof week 7
Open Universiteit- Zwaartepunten van het vermogensrecht- Reehuis- 2026
Artikel 6:162 BW | maatschappelijke zorgvuldigheid | gevaarzetting | sport en spel
OKTOBER 2026
Onrechtmatige daad — Jurisprudentie in context |
,Inhoud
1. Wettelijk kader: art. 6:162 BW
2. Zutphense juffrouw (1910)
3. Lindenbaum/Cohen (1919)
4. Kelderluik (1965)
5. Tennisspel/Tennisbalarrest (1990)
6. Natraparrest (1991)
7. Zwiepende tak (1994)
8. Disloquerende turnster (1995)
9. Zeulende zusjes (2000)
10. Jetblast (2004)
11. De arresten in samenhang
12. Systematische analyse van gevaarzetting
13. Bronnenlijst
Onrechtmatige daad — Jurisprudentie in context |
,1. Wettelijk kader: artikel 6:162 BW
Artikel 6:162 BW is de algemene grondslag voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
De bepaling kan van toepassing zijn wanneer iemand door een onrechtmatige gedraging
schade veroorzaakt aan een ander, ook als tussen partijen geen overeenkomst bestaat. Voor
aansprakelijkheid moeten de vereisten afzonderlijk worden onderzocht; het vaststellen van
onzorgvuldig gedrag beantwoordt niet automatisch alle andere vragen.
1.1 De vereisten voor aansprakelijkheid
Onrechtmatigheid (art. 6:162 lid 2 BW). Er moet sprake zijn van een inbreuk op een
recht, strijd met een wettelijke plicht of strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in
het maatschappelijk verkeer betaamt.
Toerekenbaarheid (art. 6:162 lid 3 BW). De gedraging moet aan de dader kunnen
worden toegerekend op grond van schuld, de wet of verkeersopvattingen. Dit is een
afzonderlijke stap na de vraag of de gedraging onrechtmatig is.
Schade. De benadeelde moet schade hebben geleden die voor vergoeding in
aanmerking komt.
Causaal verband. In beginsel moet de schade zonder de gebeurtenis niet zijn ontstaan
(condicio-sine-qua-non-verband). Vervolgens bepaalt art. 6:98 BW welke schade
redelijkerwijs aan de gebeurtenis kan worden toegerekend.
Relativiteit (art. 6:163 BW). De geschonden norm moet strekken tot bescherming
tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
1.2 De drie gronden van onrechtmatigheid
De drie gronden in art. 6:162 lid 2 BW zijn alternatieven: één grond kan voldoende zijn. Bij
de arresten in dit document staat vooral de derde grond centraal: strijd met de
maatschappelijke zorgvuldigheid. Dit is een open norm. Zij maakt het mogelijk gedrag
onrechtmatig te beoordelen ook als er geen specifieke wettelijke bepaling is overtreden. De
open norm is geen vrijbrief voor de rechter: de conclusie moet worden gemotiveerd aan de
hand van concrete omstandigheden en de belangen die daarbij betrokken zijn.
1.3 Gevaarzetting: beoordeling vooraf
Bij gevaarzetting gaat het om de vraag of iemand een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd of
laten voortbestaan en, zo ja, of die persoon redelijke voorzorgsmaatregelen had moeten
nemen. De rechter beoordeelt dit in beginsel vanuit het moment vóór het ongeval: wat was
toen voorzienbaar en welke maatregelen konden redelijkerwijs worden verlangd? De ernst
van het letsel achteraf is op zichzelf geen bewijs dat het gedrag vooraf onrechtmatig was.
Kelderluik geeft gezichtspunten voor de afweging. Tennisspel en Natraparrest laten zien hoe
deze algemene zorgvuldigheidsnorm in sport- en spelsituaties wordt toegepast: de context
verhoogt de drempel, maar sluit aansprakelijkheid voor abnormaal gevaarlijk gedrag niet uit.
Zwiepende tak en Zeulende zusjes benadrukken dat de enkele mogelijkheid van een ongeval
niet genoeg is. Jetblast verduidelijkt dat niet alleen telt of een waarschuwing is geplaatst,
maar ook of daarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat mensen daardoor het gevaar
vermijden.
Onrechtmatige daad — Jurisprudentie in context |
,2. HR 10 juni 1910 — Zutphense juffrouw
ECLI:NL:HR:1910:1 · oud BW art. 1401 en 1402
De kern
Het arrest Zutphense juffrouw wordt doorgaans geplaatst tegenover Lindenbaum/Cohen. Het
laat zien hoe beperkt het begrip onrechtmatige daad vóór 1919 werd uitgelegd, in het
bijzonder bij nalaten. Een weigering om schade te voorkomen kon maatschappelijk
onbehoorlijk lijken, maar dat was onder de toenmalige benadering niet zonder meer
voldoende voor civielrechtelijke aansprakelijkheid. De juridische discussie draaide om de
vraag of uit het toenmalige recht een verplichting tot handelen kon worden afgeleid.
Feiten en procesgang
Tijdens strenge vorst sprong een waterleiding in een pand in Zutphen. De hoofdkraan
waarmee de watertoevoer kon worden afgesloten, bevond zich in het gedeelte van het pand
dat door de bewoonster werd gebruikt. Het water stroomde naar het lager gelegen pakhuis
en beschadigde daar goederen. De bewoonster werd verzocht de kraan dicht te draaien of
toegang tot de kraan mogelijk te maken, maar deed dat niet. De schade werd door een
verzekeraar vergoed, die vervolgens vergoeding van de bewoonster vorderde. De zaak ging
daarmee niet over het actief veroorzaken van de lekkage, maar over de vraag of het nalaten
om in te grijpen juridisch onrechtmatig was.
Rechtsvraag
Kon de weigering om de hoofdkraan af te sluiten als onrechtmatige daad worden
aangemerkt wanneer niet was vastgesteld dat op de bewoonster een concrete wettelijke of
contractuele plicht rustte om de kraan dicht te draaien of hulp te verlenen? Meer algemeen
speelde de vraag hoeveel ruimte de rechter onder het toenmalige recht had om uit
maatschappelijke onbehoorlijkheid een juridische handelingsplicht af te leiden.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad hanteerde de destijds beperkte uitleg van de onrechtmatige daad. Dat de
weigering maatschappelijk laakbaar kon worden gevonden, was niet voldoende. De rechter
kon niet zonder meer een juridische verplichting tot handelen aannemen enkel omdat
ingrijpen de schade had kunnen beperken. De vordering werd niet toegewezen.
Rechtsregel en betekenis
Het arrest laat zien dat de oude uitleg van de onrechtmatige daad minder ruimte bood aan
een zelfstandige norm van maatschappelijke zorgvuldigheid. De juridische vraag was niet
alleen of het gedrag onbehoorlijk leek, maar of het onder de toenmalige wettelijke
categorieën viel.
Nadere uitleg en afbakening
Het arrest is vooral van belang als contrast met Lindenbaum/Cohen. Het helpt verklaren
waarom de erkenning van maatschappelijke zorgvuldigheid als zelfstandige grond een grote
ontwikkeling was. Bij nalaten blijft ook onder huidig recht van belang waarom juist deze
persoon in deze omstandigheden had moeten handelen.
Wat je niet moet afleiden
Trek niet de conclusie dat nalaten onder het huidige recht alleen onrechtmatig kan zijn als
een expliciete wettelijke plicht bestaat. De maatschappelijke zorgvuldigheid kan, afhankelijk
van de omstandigheden, een handelingsplicht meebrengen.
Onrechtmatige daad — Jurisprudentie in context |
,3. HR 31 januari 1919 — Lindenbaum/Cohen
ECLI:NL:HR:1919:AG1776 · NJ 1919/161 · oud BW art. 1401
De kern
Lindenbaum/Cohen verruimde het begrip onrechtmatige daad: ook gedrag in strijd met de
zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, kan onrechtmatig zijn.
Feiten en procesgang
Lindenbaum en Cohen waren concurrenten in de drukkerijbranche. Cohen bewoog een
werknemer van Lindenbaum door giften en beloften ertoe bedrijfsinformatie te verstrekken,
onder meer gegevens over offertes en klanten. Lindenbaum stelde dat Cohen door deze
handelwijze onrechtmatig jegens hem had gehandeld. Een belangrijk juridisch punt was dat
niet iedere onbehoorlijke gedraging onder een specifiek wettelijk verbod viel.
Rechtsvraag
Moet onrechtmatigheid beperkt worden tot inbreuk op een subjectief recht of schending van
een wettelijke plicht, of omvat zij ook handelen dat indruist tegen de maatschappelijke
zorgvuldigheid?
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad koos voor de ruimere uitleg. Onrechtmatig handelen omvatte niet alleen
inbreuk op andermans recht en strijd met een rechtsplicht, maar ook handelen of nalaten dat
indruist tegen de goede zeden of de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer
betaamt ten aanzien van een ander of diens goederen. De zaak moest met die ruimere
rechtsopvatting worden beoordeeld.
Rechtsregel en betekenis
De maatschappelijke zorgvuldigheid is een zelfstandige grond voor onrechtmatigheid. Een
civiele vordering hoeft dus niet steeds te steunen op een specifieke wettelijke
verbodsbepaling of op de stelling dat hetzelfde gedrag strafbaar is. Deze ontwikkeling ligt
ten grondslag aan de huidige formulering van art. 6:162 lid 2 BW.
Nadere uitleg en afbakening
De norm is contextafhankelijk. De rechter moet beoordelen hoe de gedraging zich verhoudt
tot de belangen van de benadeelde, de voorzienbaarheid van schade en wat in de
omstandigheden zorgvuldig gedrag verlangt. Het feit dat gedrag concurrentieel, onaardig of
nadelig is, maakt het niet automatisch onrechtmatig.
Wat je niet moet afleiden
Lindenbaum/Cohen betekent niet dat elke moreel verwerpelijke handeling automatisch tot
schadevergoeding leidt. Ook moeten toerekenbaarheid, schade, causaal verband en
relativiteit worden vastgesteld.
Onrechtmatige daad — Jurisprudentie in context |