Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 - Inleiding tot de sociale psychologie...........................................2
Hoofdstuk 3 - Sociale cognitie: hoe we denken over de sociale wereld..............5
Begrippenlijst Hoofdstuk 5 – Het zelf: onszelf begrijpen in een sociale context 10
Begrippenlijst Hoofdstuk 6 – Cognitieve dissonantie en de behoefte om ons
zelfbeeld te beschermen...............................................................................13
Begrippenlijst Hoofdstuk 7 – Attitudes en attitudeverandering.......................17
Begrippenlijst Hoofdstuk 8 – Conformisme en gehoorzaamheid: sociale invloed
en aanpassing van gedrag............................................................................20
Begrippenlijst Hoofdstuk 9 – Groepsprocessen: invloed in sociale groepen......24
Begrippenlijst Hoofdstuk 10 – Aantrekkingskracht en relaties........................28
Begrippenlijst Hoofdstuk 11 – Prosociaal gedrag: waarom helpen mensen?.....32
Begrippenlijst Hoofdstuk 12 – Aggressie en agressief gedrag.........................36
Begrippenlijst Hoofdstuk 13 – Vooroordelen: oorzaken en oplossingen............39
1
,Hoofdstuk 1 - Inleiding tot de sociale psychologie
Psychologie = De wetenschappelijke studie van het gedrag en het
innerlijke leven (gedachten en gevoelens) van mensen.
Sociale psychologie = De wetenschappelijke studie naar de wijze
waarop de echte of denkbeeldige aanwezigheid van anderen de
gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen beïnvloedt.
Sociale invloed = Het effect dat de woorden, daden of alleen al de
aanwezigheid van andere mensen hebben op onze gedachten, gevoelens
en gedrag.
Empirische methode = Een wetenschappelijke methode waarbij
veronderstellingen en hypothesen worden getoetst door systematische
waarneming en onderzoek.
Hypothese = Een als voorlopige waarheid aangenomen, maar nog te
bewijzen veronderstelling.
Determinant = Een bepalende factor in een ontwikkeling of toestand.
Evolutionaire psychologie = Wetenschappelijke discipline die sociaal
gedrag probeert te verklaren op basis van erfelijke factoren die zich door
natuurlijke selectie hebben ontwikkeld.
Natuurlijke selectie = Het proces waarbij erfelijke eigenschappen die de
overlevings- en voortplantingskansen vergroten vaker worden
doorgegeven aan volgende generaties.
Persoonlijkheidspsychologie = Het vakgebied dat individuele
verschillen in persoonlijkheid en gedrag bestudeert.
Individuele verschillen = Aspecten van de persoonlijkheid die mensen
van elkaar onderscheiden.
Sociologie = De wetenschap die groepen, organisaties, sociale klassen,
culturen en samenlevingen bestudeert.
Construct = De manier waarop mensen de sociale wereld waarnemen,
begrijpen en interpreteren.
Crosscultureel onderzoek = Onderzoek waarbij sociaal gedrag in
verschillende culturen wordt vergeleken om te bepalen welke aspecten
universeel en welke cultureel bepaald zijn.
2
,Fundamentele attributiefout = De neiging om het gedrag van anderen
vooral te verklaren vanuit hun persoonlijkheid en de invloed van de sociale
situatie te onderschatten.
Correspondentievertekenging = De neiging om uit iemands gedrag af
te leiden dat dit gedrag overeenkomt met diens persoonlijkheid, terwijl
situationele factoren worden onderschat.
Attributie = Het toeschrijven van oorzaken aan het eigen gedrag of aan
het gedrag van anderen.
Behaviorisme = Psychologische stroming die stelt dat gedrag vooral kan
worden begrepen door te kijken naar waarneembaar gedrag en de
beloningen en straffen uit de omgeving.
Gestaltpsychologie = Psychologische stroming die benadrukt dat
mensen de wereld niet alleen op basis van losse onderdelen waarnemen,
maar als een betekenisvol geheel.
Fenomenologie = Filosofische stroming die probeert de geestelijke,
intuïtieve beschouwing van de directe ervaring van de dingen te
beschrijven.
Naïef realisme = De overtuiging dat we dingen waarnemen zoals ze
werkelijk zijn en dat andere redelijke mensen dezelfde werkelijkheid
zouden moeten zien.
Zelfwaardering = De beoordeling van mensen van wat ze zelf waard
zijn, waarbij ze streven naar een positief beeld van zichzelf.
Positieve zelfwaardering = Een positieve waardering van jezelf,
bijvoorbeeld jezelf beschouwen als goed, competent en respectabel.
Zelfverheffingsmotief = De behoefte om informatie zo te verwerken dat
je een positief beeld van jezelf behoudt, zelfs wanneer dit ten koste gaat
van een volledig accurate kijk op de werkelijkheid.
Accuraatheidsmotief = De behoefte om een zo correct en realistisch
mogelijk beeld van de sociale wereld te vormen.
Sociale cognitie = Hoe mensen sociale informatie selecteren,
interpreteren, onthouden en gebruiken om oordelen en beslissingen te
vormen.
Self-fulfilling prophecy = Het proces waarbij een verwachting over
iemand ons gedrag tegenover die persoon beïnvloedt, waardoor die
persoon zich uiteindelijk zo gaat gedragen dat de oorspronkelijke
verwachting wordt bevestigd.
3
, Kortste onderscheid om te onthouden
Zelfverheffingsmotief = Ik wil me goed voelen over mezelf.
Accuraatheidsmotief = Ik wil de werkelijkheid zo correct mogelijk
begrijpen.
Fundamentele attributiefout = We overschatten de persoon en
onderschatten de situatie.
Behaviorisme = Gedrag wordt beïnvloed door beloningen en straffen uit
de omgeving.
Gestaltpsychologie = Niet alleen de situatie zelf, maar vooral hoe
iemand de situatie interpreteert, bepaalt het gedrag.
4