Inhoudsopgave
Compacte samenvatting Sociale Psychologie...................................................1
Hoofdstuk 1: Inleiding tot de sociale psychologie...........................................................4
LD 1.1 – Je legt uit wat sociale psychologie is..............................................................4
LD 1.2 – Je legt uit hoe sociale psychologie zich onderscheidt van gezond verstand en
volkswijsheid............................................................................................................... 4
LD 1.3 – Je illustreert het verschil tussen sociale psychologie en andere disciplines. . .4
LD 1.4 – Je beargumenteert dat hun sociale omgeving het gedrag van mensen
grotendeels bepaalt, maar dat zij deze invloed vaak onderschatten...........................5
LD 1.5 – Je licht toe hoe het behaviorisme en de gestaltpsychologie hebben
bijgedragen aan de ontwikkeling van de sociale psychologie......................................5
LD 1.6 – Je vat het verschil tussen het zelfverheffingsmotief en het
accuraatheidsmotief samen........................................................................................6
LD 1.7 – Je schetst wat de sociale psychologie kan betekenen in de echte wereld......6
Hoofdstuk 3 – Sociale cognitie: hoe we denken over de sociale wereld..........................8
LD 3.1 – Je licht het onderscheid toe tussen automatisch en gecontroleerd denken. . .8
LD 3.2 – Je verduidelijkt in hoeverre we automatisch denken over de sociale wereld
en welke rol schema’s daarbij spelen..........................................................................8
LD 3.3 – Je vat samen welke verschillende soorten automatisch denken er zijn en hoe
die functioneren.......................................................................................................... 9
LD 3.4 – Je legt uit hoe cultuur automatisch sociaal denken beïnvloedt......................9
LD 3.5 – Je verduidelijkt in hoeverre we gecontroleerd denken over de sociale wereld
en welke problemen daarbij kunnen optreden...........................................................10
LD 3.6 – Je legt uit hoe we denkfouten kunnen verminderen en/of voorkomen.........10
Hoofdstuk 4 – Sociale perceptie: hoe we andere mensen waarnemen en
begrijpen..................................................................................................... 12
LD 4.1 – Je legt uit hoe mensen non-verbale signalen gebruiken om anderen te
begrijpen................................................................................................................... 12
LD 4.2 – Je licht toe hoe snel eerste indrukken zich vormen en verklaart waarom ze
standhouden............................................................................................................. 12
LD 4.3 – Je verklaart hoe we vaststellen waarom mensen doen wat ze doen............13
LD 4.4 – Je geeft aan welke rol cultuur speelt in de vorming van attributies.............14
Hoofdstuk 5 – Het zelf: onszelf begrijpen in een sociale context.....................15
LD 5.1 – Je kunt samenvatten wat het zelfconcept is, de culturele invloeden op het
zelfconcept illustreren en de functies van het zelf onderscheiden............................15
LD 5.2 – Je licht toe hoe we onszelf begrijpen en hoe we definiëren wie we zijn.......15
LD 5.3 – Je licht toe hoe we andere mensen aanwenden om onze eigen gedragingen,
gedachten en gevoelens te proberen te begrijpen (tot zelfkennis te komen)............18
LD 5.4 – Je legt uit wanneer we slagen in zelfcontrole en wanneer juist niet.............18
LD 5.5 – Je verklaart waarom en hoe we onszelf presenteren aan anderen zodat
anderen ons zien zoals we gezien willen worden.......................................................19
LD 5.6 – Je licht toe wat de voor- en nadelen van positieve zelfwaardering zijn........19
Hoofdstuk 6 – Cognitieve dissonantie en de behoefte om ons zelfbeeld te
beschermen................................................................................................. 21
LD 6.1 – Je legt uit wat cognitieve dissonantie is en hoe deze ontstaat.....................21
LD 6.2 – Je beschrijft op welke manieren mensen hun dissonantie reduceren om hun
zelfbeeld te beschermen........................................................................................... 21
1
, LD 6.3 – Je licht toe wanneer zelfrechtvaardiging tot duurzame attitudeverandering
leidt en hoe hypocrisie-inductie tot gedragsverandering kan leiden.........................22
LD 6.4 – Je verklaart wanneer sociale vergelijking met anderen leidt tot dissonantie
en hoe we die kunnen reduceren..............................................................................23
LD 6.5 – Je reflecteert op hoe mensen kunnen leren van hun fouten zonder in de val
van dissonantiereductie te lopen...............................................................................24
Hoofdstuk 7 – Attitudes en attitudeverandering: gedachten en gevoelens
beïnvloeden................................................................................................. 25
LD 7.1 – Je benoemt welke soorten attitudes er bestaan en waar ze op gebaseerd zijn
.................................................................................................................................. 25
LD 7.2 – Je licht toe onder welke omstandigheden attitudes gedrag voorspellen......25
LD 7.3 – Je legt uit hoe externe factoren zoals sociale invloed, en interne factoren
zoals emoties en zelfvertrouwen, attitudes veranderen............................................26
LD 7.4 – Je schetst wat de invloed van reclame is op attitudes.................................27
LD 7.5 – Je legt uit hoe je weerstand kunt bieden aan persuasieve boodschappen.. .27
Hoofdstuk 8 – Conformisme en gehoorzaamheid: sociale invloed en aanpassing
van gedrag.................................................................................................. 29
LD 8.1 – Je verduidelijkt wat conformisme inhoudt en waarom dit optreedt..............29
LD 8.2 – Je legt uit hoe informationeel conformisme mensen motiveert om zich te
conformeren.............................................................................................................. 29
LD 8.3 – Je legt uit hoe normatief conformisme mensen motiveert om zich te
conformeren.............................................................................................................. 30
LD 8.4 – Je illustreert hoe we onze kennis over sociale invloed voor positieve
doeleinden kunnen gebruiken...................................................................................32
LD 8.5 – Je vat samen wat studies aan kennis hebben opgeleverd over de bereidheid
van mensen om iemand met een gezagspositie te gehoorzamen.............................33
Hoofdstuk 9 – Groepsprocessen: invloed in sociale groepen...........................36
LD 9.1 – Je beschrijft wat groepen kenmerkt en waarom mensen zich aansluiten bij
groepen..................................................................................................................... 36
LD 9.2 – Je legt uit welke effecten het groepslidmaatschap heeft op het gedrag van
individuen.................................................................................................................. 38
LD 9.3 – Je maakt duidelijk wat de verschillen zijn tussen individuele en
groepsbeslissingen en welke gevaren kunnen optreden bij groepsbesluiten.............39
LD 9.4 – Je onderscheidt enkele belangrijke leiderschapsstijlen en -theorieën en legt
uit wat de invloed van een leider is bij besluitvorming in groepen............................40
LD 9.5 – Je benoemt verschillende soorten conflicten en manieren van
conflictoplossing........................................................................................................ 41
Hoofdstuk 10 – Aantrekkingskracht en relaties: van eerste indrukken tot hechte
relaties........................................................................................................ 42
LD 10.1 – Je legt uit hoe mensen beslissen wie ze leuk vinden en beter willen leren
kennen...................................................................................................................... 42
LD 10.2 – Je maakt duidelijk hoe nieuwe technologie de manier waarop we intieme
relaties aangaan beïnvloedt......................................................................................44
LD 10.3 – Je definieert wat liefde is en wat mensen voldoening geeft in intieme
relaties...................................................................................................................... 45
LD 10.4 – Je vertelt wat onderzoek ons leert over het verbreken van liefdesrelaties. 47
Hoofdstuk 11 – Prosociaal gedrag: waarom helpen mensen?...........................48
LD 11.1 – Je noemt diverse oorzaken die verklaren waarom mensen anderen helpen
.................................................................................................................................. 48
LD 11.2 – Je onderscheidt persoonlijke eigenschappen die de bereidheid om te
helpen beïnvloeden................................................................................................... 50
2
, LD 11.3 – Je beschrijft determinanten die de kans dat mensen anderen zullen helpen
vergroten of verkleinen............................................................................................. 51
LD 11.4 – Je legt uit hoe je prosociaal gedrag kunt stimuleren..................................53
Hoofdstuk 12 – Agressie en agressief gedrag.................................................55
LD 12.1 – Je benoemt waarin evolutionaire, culturele en leertheoretische verklaringen
van agressie onderling verschillen............................................................................55
LD 12.2 – Je licht enkele situationele en sociale oorzaken van agressie en seksueel
geweld toe................................................................................................................. 57
LD 12.3 – Je legt uit of het zien van geweld een toename ervan veroorzaakt...........58
LD 12.4 – Je benoemt hoe je agressie kunt terugdringen..........................................59
Hoofdstuk 13 – Vooroordelen: oorzaken en oplossingen.................................62
LD 13.1 – Je legt uit wat de drie componenten van vooroordelen zijn.......................62
LD 13.2 – Je beschrijft op welke manieren we onderdrukte of onbewuste vooroordelen
kunnen opsporen....................................................................................................... 63
LD 13.3 – Je benoemt de belangrijkste effecten van vooroordelen............................63
LD 13.4 – Je verklaart welke aspecten van het sociale leven vooroordelen kunnen
veroorzaken............................................................................................................... 64
LD 13.5 – Je geeft adviezen over de manier waarop we vooroordelen kunnen
terugdringen............................................................................................................. 65
3
, Hoofdstuk 1: Inleiding tot de sociale psychologie
LD 1.1 – Je legt uit wat sociale psychologie is
Psychologie is de wetenschap van het gedrag en het innerlijke
leven (gedachten en gevoelens) van mensen.
Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie naar de wijze
waarop de (echte of denkbeeldige) aanwezigheid van
anderen de gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen
beïnvloedt.
De kern van de sociale psychologie is dus het fenomeen ‘sociale
invloed’.
Sociaal psychologen ontwikkelen verklaringen voor sociale invloed
aan de hand van empirisch onderzoek, zoals experimenten waarin
zij hypothesen opstellen en variabelen zo goed mogelijk proberen te
beheersen.
LD 1.2 – Je legt uit hoe sociale psychologie zich onderscheidt van
gezond verstand en volkswijsheid
Sociaal psychologen proberen sociale invloed op een andere manier
te begrijpen dan op basis van gezond verstand of volkswijsheid.
Het voornaamste probleem van vertrouwen op dergelijke bronnen is
dat ze elkaar vaak tegenspreken.
Ook het simpelweg vragen waarom mensen zich op een bepaalde
manier gedragen is niet betrouwbaar, omdat mensen zich vaak niet
bewust zijn van de redenen achter hun gevoelens en
reacties.
LD 1.3 – Je illustreert het verschil tussen sociale psychologie en
andere disciplines
Naast sociale psychologie zijn er andere wetenschappelijke
disciplines die maatschappelijke problemen proberen te begrijpen.
De evolutionaire psychologie probeert sociaal gedrag te
verklaren op basis van erfelijke factoren die door natuurlijke selectie
zijn ontwikkeld. Sociale psychologie richt zich meer op het hier en
nu.
Persoonlijkheidspsychologen proberen sociaal gedrag te
verklaren aan de hand van individuele persoonlijkheidsverschillen.
Sociaal psychologen ontkennen deze verschillen niet, maar
verklaren sociaal gedrag vooral vanuit de macht die de sociale
situatie uitoefent.
Andere sociale wetenschappen richten zich op een breder niveau,
zoals de invloed van sociale, economische, politieke en historische
factoren op groepen of samenlevingen.
De sociale psychologie richt zich vooral op het individu in een
bepaalde sociale situatie.
4