BVP Anesthesiemedewerker 2026
,
, Cytologie & histologie
Klinische pathologie: H2
Cytologie gaat over losse cellen die te zien zijn in een uitstrijkje of in lichaamsvocht. Histologie betreft weefsels en zijn te
beoordelen in een biopt.
Cellen en organellen
Cellen zijn de kleinste levende eenheden en kunnen zichzelf handhaven in een geschikt milieu en zich meestal
vermenigvuldigen. Ze nemen zuurstof, brandstoffen en bouwstoffen op en scheiden afvalstoffen, zoals kooldioxide en
ammoniak uit.
Cellen zijn de kleinste onderdelen van een organisme dat als levend wordt beschouwd. Maar ook de kleinste verzameling
van iets dat als levend wordt beschouwd.
Leven is moeilijk te definiëren, maar kent wel een paar vaste kenmerken:
• Orde vs. chaos
• Reproductie = voortplanting
• Groei en ontwikkeling
• Metabolisme = stofwisseling
• Homeostase = het vermogen van een organisme om het inwendige milieu stabiel en in evenwicht te houden,
ondanks veranderingen in de buitenwereld (=gelijk blijven van bijv. pH, zouten, temperatuur)
• Evolutionaire adaptatie = erfelijke aanpassing van een organisme aan zijn omgeving, waardoor de kans op
overleving en voortplanting groeit
Cellen zijn de basiseenheden van het lichaam en bevatten allen dezelfde genen. Cellen zijn onderverdeeld naar basis van
hun specialisatie, dezelfde eigenschappen/DNA (differentiatie), bijvoorbeeld spiercellen, bindweefselcellen. Cellen kiezen er
zelf voor welke genen ze gaan gebruiken voor hun soort, zoals een spiercel alleen de genen om goed samen te trekken.
Klompje van dezelfde cellen noem je een weefsel. Bijna alle weefsels bestaan uit verschillende soorten weefsel. Die
samengestelde weefsels wordt een orgaan genoemd en uiteindelijk vormt dat zich een orgaansysteem, zoals
voortplantingssysteem, urinewegsysteem. Sommige organen kun je bij meerdere orgaansystemen indelen.
Cellen bestaan uit een nucleus (celkern) en cytoplasma, omgeven door membranen. De celkern
bevat DNA. In het cytoplasma bevinden zich organellen: mitochondriën, ribosomen, golgi-apparaat
en lysosomen.
Stamcellen
Embryonale stamcellen leveren nieuwe cellen voor een embryo, terwijl het groeit en zich ontwikkelt
tot een baby, deze zijn nog niet gedifferentieerd en zouden daardoor alles kunnen worden. Deze
embryonale stamcellen bevinden zich niet meer in het volwassen lichaam. In beenmerg zitten nog
beenmergcellen, deze kunnen wel rode bloedcellen, witte bloedcellen of bloedplaatjes kunnen
worden, maar geen hersencellen.
Volwassen (Multi potente) stamcellen: volwassen stamcellen leveren nieuwe cellen naarmate een
organisme groeit en vervangen cellen die beschadigd raken, zoals hematopoëtische stamcellen
kunnen alleen de verschillende soorten cellen in het bloed vervangen en huid- (of 'epitheliale')
stamcellen.
Verschillende celtypes
Eukaryotische cel Prokaryotische cel
Mens, muis, fruitvliegje Bacteriën, algen
• Wel een celkern • Geen echte celkern
• DNA in de celkern • DNA los in het cytoplasma
• Interne membranen • Geen interne membranen
• Organellen = gespecialiseerde structuren (mitochondriën) • Geen organellen
• Hoge graad van organisatie • Lagere graad van organisatie
• Meestal niet zelfstandig verplaatsbaar, blijven op dezelfde • Kunnen zich vaak verplaatsen met
plek zitten een zweepstaart
Een organel is een specifiek onderdeel van een eukaryote cel met een bepaalde functie. Organellen kunnen beschouwd
worden als de organen van een cel, die de diverse celprocessen mogelijk maken.
, Nummer 1: nucleolus – ribosomaal RNA aanmaken
Nummer 2: celkern – bewaart DNA
Nummer 3: (zwarte puntjes) ribosomen – aanmaak van eiwitten
Nummer 5: ruw endoplasmatisch reticulum (netwerk) – de
ribosomen houden zich hieraan vast
Nummer 6: Golgi apparaat – in blaasjes verpakt de nieuwe
eiwitten ontvangen en zegt waar de eiwitten heen moeten
Nummer 9: mitochondriën (hier zijn er honderden van in een cel)
– maken energie met behulp van zuurstof De cel
Celonderdeel Functie Belangrijkste kenmerken
Celkern Opslag en bescherming van erfelijk Gescheiden door kernmembraan van cytoplasma
materiaal (DNA)
Nucleolus Aanmaak van rRNA voor ribosomen Bevindt zich in de celkern; rRNA is nodig voor eiwitsynthese
(kernlichaampje)
Mitochondriën Energieproductie → ATP Verbranding van voedingsstoffen met zuurstof → CO₂ + H₂O + ATP,
citroenzuurcyclus, veel in hartspiercellen; dubbele lipidelaag; bevat eigen mDNA
voor energievoorzieningen
Endoplasmatisch Aanmaak en transport van eiwitten Membraannetwerk in cytoplasma; transporteert eiwitten richting Golgi
reticulum (ER)
Ribosomen Eiwitsynthese Bestaan uit rRNA en eiwitten; bouwen aminozuren om tot eiwitten (in lever
voor bloedeiwitten)
Golgi-apparaat Bewerken, opslaan Ontvangt eiwitten vanuit het ER; vooral uitgebreid in kliercellen voor hormonen
en verpakken/transporteren van eiwitten
Lysosomen Afbraak en vertering van eiwitten Blaasjes met verteringsenzymen; breken afval en celresten af; veel in lever- en
afweercellen
Peroxisomen Afbraak van schadelijke/giftige stoffen Helpen o.a. bij afbraak van vrije radicalen; gebruiken H₂O₂ bij afbraakreacties
Celmembraan Beschermen en afscheiden van de cel van de Dubbele fosfolipidenlaag; hydrofiele kop + hydrofobe staart; semipermeabel
omgeving (O2)
Cytoplasma Omgeving waarin celonderdelen en veel Vloeistof met o.a. water en opgeloste zouten; bevat de organellen
celprocessen plaatsvinden