Tijdvak 1
1.1~Het leven van jagers en verzamelaars
~De prehistorie is de periode waarin geen geschreven bronnen bestaan. De mensen
hadden geen schrift, dus alle info komt van ongeschreven bronnen (potten, speerpunten,
kleding). We weten niets over gedachtes, maar wel over hoe men leefde. Van de cultuur is
dus weinig bekend.~
~De mensheid is geëvolueerd van aap-achtigen uit Oost-Afrika, Ethiopië. De
Homo-sapiens leefde in kleine groepen van 20-40. Deze mens heeft zich onbewust
verspreid op zoek naar eten. Ze trokken dus van plek naar plek waar voldoende eten was.
Hierdoor hadden ze weinig bezit en weinig sociale verschillen en was het dus een
egalitaire samenleving. Ze hadden een nomadisch bestaan.~
~Het middel van bestaan bestond uit jagen en verzamelen. Er was een duidelijk
rolverdeling tussen man; jagen en verzamelen en de vrouw; verzamelen en kinderen
opvoeden.~
1.2~De opkomst van de landbouw
~Omstreeks 9000 v.C. werd de akkerbouw ontdekt in het midden-oosten en rond het jaar
8000 v.C. volgde de veeteelt. Samen vormen deze twee begrippen de landbouw. De
ontdekking zorgde voor een verandering in middel van bestaan. Dit was zo ingrijpend dat het
een revolutie werd. Deze landbouwrevolutie verspreidde zich vanuit het midden-oosten
over Europa, Azië en Afrika.~
~Na de laatste ijstijd werd het klimaat warmer, wat gunstiger was voor gewassen. Tegelijk
verminderden de wilde diersoorten waarop mensen jaagde, zoals gazellen en rendieren,
Daarom begonnen ze dieren zoals ossen en zwijnen te temmen, wat veel vlees opleverde.
Hierdoor nam de noodzaak om te jagen af en konden mensen op 1 plek blijven wonen. Met
een stabiel voedselaanbod ontstonden dorpen, handel en ambachten, waardoor de
samenleving steeds complexer werd.~z
~Gevolgen op korte termijn waren dat mensen op 1 plek gingen wonen in zelfvoorzienende
dorpen, waardoor groepen groter werden. Verschillen in oogstopbrengst zorgden voor
verschillen in bezit, macht en aanzien, oftewel sociale ongelijkheid. Dit zijn kenmerken
van de landbouwsamenleving. Op lange termijn ontstonden nederzettingen door het
blijven wonen op 1 plek, vaak bij rivieren, meren of de kust. Deze groeiden later uit tot
dorpen en steden, waardoor stedelijke gebieden ontstonden.~
1.3~De eerste steden
~De dorpen van boeren bleven groeien, vooral rond vruchtbare gebieden, zoals in Irak. Door
het voedseloverschot konden mensen zich specialiseren, waardoor de handel toenam en er
markten ontstonden. Rond deze markten groeiden de bevolking en dorpen uit tot steden.
Deze combinatie van landbouw en stad wordt de landbouw-stedelijke samenleving
genoemd.~