Hoofdstuk 2 – Aansprakelijkheid voor eigen gedrag op grond van Art. 6:162 BW
Uitgangspunt van het recht is dat ieder zijn eigen schade draagt. Tenzij die schade een
gevolg is van een onrechtmatige gedraging. Hiervoor is vereist dat het gedrag
onrechtmatig is, en dit gedrag moet toegerekend kunnen worden aan de dader (Art.
6:162 BW). Er is sprake van onrechtmatigheid bij:
- Een inbreuk op een recht
- Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht
- Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt
Vroeger waren inbreuk en strijd met de wet de enige criteria. Dit werd verruimd in
Lindenbaum/Cohen. Daarin heeft de HR handelen in strijd met ongeschreven recht
toegevoegd.
Een gedraging kan worden toegerekend wanneer de dader schuld heeft (Art. 6:162.3
BW). Schuld is hier verwijtbaarheid, waardoor de lichtste graad van schuld volstaat. Het
gedrag kan daarnaast ook krachtens verkeersopvattingen voor rekening van de dader
komen. Schuld is dan niet noodzakelijk. Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen
kunnen op grond hiervan aansprakelijk zijn. Een rechtspersoon kan aansprakelijk gesteld
wanneer door een formeel bevoegd orgaan van die rechtspersoon onrechtmatig wordt
gehandeld. Maar ook als de gedraging van een niet-formeel bevoegde persoon toch aan
de rechtspersoon kan worden toegerekend omdat zij in het maatschappelijk verkeer als
gedragingen van die rechtspersoon hebben te gelden. Dit laatste wordt ook wel de
vereenzelvigingstheorie genoemd. Daarnaast kan een rechtspersoon kwalitatief
aansprakelijk zijn voor het gedrag van natuurlijke personen.
Rechtvaardigingsgronden
Rechtvaardigingsgronden nemen de onrechtmatigheid van een gedraging weg. Denk aan
overmacht (als noodtoestand), noodweer, uitvoering van een wettelijk voorschrift of een
bevoegd gegeven ambtelijk bevel (Art. 40-43 Sr). Ook zaakwaarneming kan een
rechtvaardigingsgrond zijn. Dit zijn volledige rechtvaardigingsgronden. Daarnaast zijn
er onvolledige rechtvaardigingsgronden en voorwaardelijke rechtvaardigingsgronden.
Hierbij gaat het om (I) handelen dat uit een bevoegdheid voortvloeit maar wat ook botst
met de belangen van een ander en (II) om handelen dat niet onrechtmatig is, zolang de
uitgeoefende bevoegdheid bestaat.
De rechtsinbreuk
Het gaat hier om schending van iemands subjectief recht, zoals goederenrechtelijke
rechten (eigendom) of rechten op voortbrengselen van de geest (auteursrecht). Een
subjectief recht verleent eigendomsrecht (Art. 5:1 BW) en de eigenaar kan zich verzetten
tegen elke storing in zijn recht (Art. 3:314 jo. 3:296 BW). Verwijtbaarheid is niet nodig.
Subjectieve rechten kunnen opgedeeld in twee groepen:
- Absolute vermogensrechten -> Eigendomsrecht, beperkte zakelijke rechten,
octrooirecht, auteursrecht en merkenrecht
, - Persoonlijkheidsrechten -> Recht op lichamelijke integriteit, huisrecht,
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer etc.
Vaak wordt dit ook getoetst aan de normen van geschreven of ongeschreven recht en
wordt er een belangenafweging gemaakt. Er moet beoordeeld of de inbreuk ook
onrechtmatig is. Hier zijn drie benaderingen voor:
- Benadering 1: Onrechtmatigheid wordt alleen aangenomen wanneer het gaat
om een directe of een rechtstreekse of een opzettelijke inbreuk. Bij opzet wordt
onrechtmatigheid aangenomen. Bij een culpoze rechtsinbreuk moet altijd nog
verder getoetst aan ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.
- Benadering 2: Inbreuk wordt alleen aangenomen bij een ‘echte’ inbreuk, als de
inbreuk voldoende ernstig was of als het gedrag zelf inbreuk maakt. Hier wordt de
inbreuk eerst zelf getoetst. Er wordt eerst gekeken naar de aard van de
activiteiten en de schade die daarvan het gevolg is. Het gedrag wordt eerst aan
ongeschreven behoorlijkheidsnormen getoetst, daarna wordt pas geconstateerd
dat sprake is van een rechtsinbreuk. Is de gedraging zelf in strijd met de
exclusieve bevoegdheden van de ander of met diens persoonlijkheidsrechten,
dan is daarmee ook de onrechtmatigheid gegeven.
- Benadering 3: Na inbreuk wordt nader getoetst aan ongeschreven
(zorgvuldigheid)criteria. Een inbreuk is slechts onrechtmatig wanneer het
handelen ook onzorgvuldig was.
Men gaat meestal uit van benadering 3. Alleen bij schending van een exclusief recht en
soms bij schending van een eigendomsrecht wordt gelijk onrechtmatigheid
aangenomen zonder verdere toetsing.
Strijd met een wettelijke plicht
Met schending is de onrechtmatigheid van het gedrag gegeven. Dit geeft echter niet
altijd aansprakelijkheid. Zo kan een wet verouderd zijn en niet meer dienen ter
bescherming van het geschonden belang. Ook het gedrag van het slachtoffer kan
meewegen.
Strijd met ongeschreven recht
Hierbij gaat het om strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt. Het gaat hier om een ongeschreven
zorgvuldigheidsnorm die sterkt casuïstisch bepaald wordt. Uitgangspunt is ook hier dat
de eiser moet bewijzen (Art. 150 Rv). De eiser moet aannemelijk maken dat de
gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld. Soms kan echter wel uit de situatie duidelijk
afgeleid worden dat er onzorgvuldig is gehandeld, de zaak spreekt als het ware voor zich
(res ipsa loquitur).
De ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is open geformuleerd en oneindig toepasbaar.
Vanuit de rechtspraak zijn voor verschillende groepen van gevallen wel toetsingskaders
gegeven. De algemene regel is dat iedereen die zorg moet betrachten die van een
zorgvuldig mens verwacht mag worden tegenover een anders persoon of goed, of met
betrekking tot iemands vermogensbelangen. Hoe ver dit reikt wordt verder ingevuld per
situatie
,Gevaarzetting
Voor beoordeling van onrechtmatigheid worden de Kelderluikfactoren gebruikt. Daarbij
wordt gesteld dat als omstandigheden aanleiding geven, veiligheidsmaatregelen moeten
worden genomen, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat niet iedereen
even voorzichtig is. Omstandigheden die daarbij relevant zijn:
- Mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste
oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht
- De hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan
- de aard en omvang van de gevreesde schade (letsel- en zaakschade, zuivere
vermogensschade en immateriële schade)
- De aard van de gedraging
- De mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen in termen van
kosten, tijd en moeite.
Hierbij is niet beslissend of het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt concreet is voorzien.
Voldoende is dat wordt getracht met veiligheidsmaatregelen in het algemeen gevaren te
voorkomen. Het gaat daarbij om objectief kenbare gevaren en risico’s. gaat het om een
vermoeden van risico? Dan is degene die omgaat met risico’s gehouden om actief te
zoeken naar mogelijke gevaren.
Sport en spel: context gebonden gedragsnormen
Dit valt binnen de categorie gevaarzetting. Maar bij sportactiviteiten is er veelal sprake
van een bepaalde mate van geaccepteerde gevaarzetting. Daardoor gelden er hier
zwaardere eisen voor onrechtmatigheid. Ook voor toekijkende spelers geldt een
verhoogde drempel voor aansprakelijkheid. Er zijn echter wel grenzen. De regels zijn:
- Een gedraging is in het kader van sportbeoefening minder snel als onrechtmatig
te kwalificeren dan daarbuiten.
- Het enkele overtreden van de spelregels, waaronder regels ter bescherming van
de veiligheid van de spelers, is niet reeds onrechtmatig. Het op zeer grove wijze
inbreuk maken kan wel onrechtmatig zijn. Doorslaggevend zijn de aard van de
spelregel en de ernst van de overtreding.
Voor organisatoren gelden juist echter strengere regels.
Huis- tuin- en keukensituaties
Hier wordt aansprakelijkheid terughoudend aangenomen.
Zuiver nalaten: bewustheid van gevaar
De vraag hier is onder welke omstandigheden actief ingrijpen vereist is en nalaten
onrechtmatig wordt. Bij zuiver nalaten is er pas een rechtsplicht om een gevaarlijke
situatie op te heffen of daarvoor te waarschuwen wanneer de ernst van het gevaar tot
het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen. Er gelden de volgende voorwaarden
voor aansprakelijkheid:
- Dreiging van ernstig geestelijk of lichamelijk letsel
- Concrete kennis van de gevaarlijke situatie
- De mogelijkheid én de noodzaak om daadwerkelijk iets te doen
- Reële verhouding tussen moeite en kosten en het gevaar
, Zorgvuldigheidsnormen buiten gevaarzettingssituaties
Hinder
Onrechtmatigheid hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de
daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het
geval. Daarbij moet rekening gehouden met het gewicht van de belangen die door de
hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid en bereidheid om
maatregelen te nemen. Hierbij spelen verschillende factoren een rol:
- Plaatselijke omstandigheden – De omgeving waar iets gebeurt speelt een rol
- Wie zat er eerst
- Het algemeen belang – Dit vraagt soms dat we bepaalde hinderlijke gevolgen
accepteren zoals het geluid van de spoorlijn.
- Het aantrekken van de belangen van de schadelijder – Het onvoldoende
aantrekken van de belangen van de ander kan onrechtmatig zijn
- De betekenis van een vergunning
Beroepsaansprakelijkheid
Beroepsbeoefenaren moeten professionele zorgvuldigheid jegens hun cliënten in acht
nemen. Hierbij gaat het om de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk
handelend vakgenoot. Dit vloeit voort uit de contractuele verhouding. Ook jegens derden
moet een zekere mate van zorg in acht worden genomen. Deze zorgplicht jegens derden
hangt af van de aard van het beroep en de omstandigheden van het concrete geval.
Aansprakelijkheid banken
De bank heeft ten aanzien van de consument-cliënt een zeer hoge mate van zorg. De
precontractuele relatie wordt beheerst door de R&B en schending van daaruit
voortvloeiende verplichtingen kan leiden tot aansprakelijkheid. De bank heeft ook een
onderzoeks- en waarschuwingsplicht.
Bestuurdersaansprakelijkheid
Een bestuurder kan aansprakelijk zijn jegens de vennootschap (interne
aansprakelijkheid – Art. 2:9 BW) wegens het niet naar behoren uitvoeren van de taak. De
bestuurder kan bij faillissement ook persoonlijk aansprakelijk zijn jegens de boedel (Art.
2:138 jo. 2:248 BW). En de bestuurder kan aansprakelijk zijn jegens anderen op grond
van Art. 6:162 BW. Hierbij gaat het om externe aansprakelijkheid. Voor persoonlijke
aansprakelijkheid is ernstig verwijt nodig.
Toerekening
Toerekening kan op basis van schuld en risico (Art. 6:162.3 BW). Binnen risico kan het
weer gaan om een specifieke wettelijke bepaling of om een in het verkeer geldende
opvatting. Schuld wordt hier beperkt tot verwijtbaarheid. Daarbij speelt ook
toerekeningsvatbaarheid een rol. Zo zijn kinderen niet toerekeningsvatbaar (Art. 6:164
BW) maar zinnelozen en lichamelijk gehandicapten kunnen in beginsel wel aansprakelijk
worden gesteld (Art. 6:165 BW).
Er is sprake van schuld als de dader een persoonlijk verwijt treft van zijn onrechtmatige
gedrag. Schuld ontbreekt bij een geestelijke tekortkoming, bij verontschuldigbare