Hoorcollege 3, Hoofdstuk 2 en 4 Diagnostistiek
Psychodiagnostistiek: Doel is informatie verzamelen over de cliënt.
- Referentiekader van de psycholoog beïnvloed deze informatie
Classificaties in de diagnostistiek:
- Categorisch: In welke categorie passen de symptomen. Het is moeilijk en zeker als
er meerdere categorieën mogelijk zijn.
- Dimensioneel: Op een schaal, en bij een bepaald cut of point wordt de diagnose
gesteld
- Monothetisch: Lijst van symptomen die noodzakelijk zijn voor die diagnose. Alle
symptomen zijn verplicht
- Polythetisch: Lijst van symptomen en er moet aan een aantal symptomen voldaan
worden. VB. ten minste 3 van de 6
Nadeel is dat er veer verschil tussen de cliënten kan zitten
ICD-11: Classificatie van psychodiagnostistiek. Wordt vaker gebruikt in het buitenland.
DSM-5 Classificatie van psychodiagnostistiek met ong 300 diagnoses. Per stoornis staan er
beschrijvingen van gedrag, maar geen oorzaken.
+ Gemeenschappelijke taal tussen onderzoekers
+ Grotere betrouwbaarheid dan oordeel van 1 onderzoeker
- Label kan stigmatiserend werken, een label is niet iemandspersoonlijkheid
- Focus ligt op syptomen ipv oorzaken
- Houdt geen rekening mee dat iemand in meerdere categorieën kan vallen
(Comorbiditeit).
- Heterogene categorieën, er zijn veel verschillende mensen in 1 categorie
- Doordat criteria veranderen vallen sommigen buiten de boot
- Angst voor false negatives, bang zijn om een stoornis te missen
- Het is afhankelijk van politieke en economische invloeden
DSM-5 persoonlijkheidsclusters:
- Cluster A (bizar): schizotypisch, paranoïde
- Cluster B (dramatisch): antisociaal, borderline, theatraal, narcistisch
- Cluster C ( angstig): ontwijkend, afhankelijk, obsessief-compulsief
Verschillende meetinstrumenten:
- Klinisch interview: Kan een open of een (semi) gestructureerd interview zijn.
Gestructureerde interviews hebben een hogere betrouwbaarheid.