Hoofdstuk 2
2.1-Sociale ongelijkheid
Sociale ongelijkheid -> Een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet
aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun
maatschappelijke positie en leiden tot ongelijke verdeling:
- van schoorse en hooggewaardeerde zaken.
- van waardering
- en behandeling.
~Er zijn vier verschillende sociale ongelijkheden, oftewel ongelijke verdeling van
hulpbronnen.
- Economische hulpbronnen: Geld, vermogen, bezit. Het gaat hierbij niet alleen om het
inkomen, maar ook om het vermogen dat iemand bezit. Ook een opleiding en
beroepservaring wordt hierbij meegerekend, omdat je daarmee je inkomen verdiend.
- Sociale hulpbronnen: Contacten met mensen, netwerk. Hierbij gaat het om mensen
die je kent en die je helpen doordat ze hun hulpbronnen aan je uitlenen of je op een
andere manier steunen.
- Symbolische hulpbronnen: Status en aanzien. Deze status krijgen mensen onder
andere op basis van hun maatschappelijke positie en leefstijl. Een dokter krijgt meer
aanzien dan een vuilnisman.
- Politieke hulpbronnen: Macht en gezag. Mensen met macht hebben meer
hulpbronnen, zoals geld. De mogelijkheid om dwang te kunnen uitoefenen is de basis
van een politieke hulpbron.
In Nederland en andere westerse landen is de sociale ongelijkheid op basis van economische
hulpbronnen tussen 1050 en 1990 gedaald. Maar door het opleidingsniveau is er in
Nederland op verschillende soorten weer sprake van sociale ongelijkheid.~
~In de samenleving nemen individuen allemaal andere maatschappelijke posities in en
kunnen we verschillende groepen onderscheiden. De verdeling van de maatschappij in
groepen waartussen sociale ongelijkheid bestaat, noemen we sociale stratificatie. Die
groepen worden ook wel sociale lagen genoemd.
Als groepen/mensen worden vergeleken op basis van status van een beroep, noemen we dat
een beroepsprestigeladder. Ook kunnen we mensen indelen op basis van hun bezit.~
~Een plek op de ladder staat niet altijd vast, die kan veranderen. Dit noemen we sociale
mobiliteit. Als groepen/mensen sociaal mobiel zijn, kan dat worden verklaard door
processen van positietoewijzing of positieverwerving.
Positietoewijzing -> Maatschappelijke oorzaken bepalen positie van persoon of groep
in de maatschappij.
De mensen hebben er zelf geen invloed op, omdat het te maken heeft met maatschappelijke
oorzaken. Bijvoorbeeld wanneer mannen worden bevoordeeld ten opzichte van vrouwen.
Soms kan de overheid ervoor zorgen dat bepaalde groepen meer kansen hebben op sociale