Hoorcollege 1: Wat is Psychodiagnostiek?
Vragen 1 t/m 20
1. Tijdens een multidisciplinair overleg merkt een beginnend psycholoog op: "De cliënt
meldt somberheid, anhedonie en slaapproblemen, dus we moeten zo snel mogelijk
nagaan of dit past binnen de DSM-5-criteria voor een depressieve stoornis, zodat we
direct een protocol kunnen starten." Welke fundamentele kritiek heeft de docent
vanuit de werkdefinitie van psychodiagnostiek op deze handelwijze?
A. De psycholoog vergeet dat diagnostiek uitsluitend gericht moet zijn op
neurobiologische biomarkers alvorens classificatiesystemen geraadpleegd worden.
B. De psycholoog reduceert diagnostiek tot een snelle zoektocht naar een passend
label, waardoor context, betekenisverlening en de specifieke hulpvraag van de cliënt
worden overgeslagen.
C. De psycholoog had eerst een intelligentietest moeten afnemen om vast te stellen
of de cognitieve capaciteiten van de cliënt toereikend zijn voor een protocollaire
behandeling.
D. De psycholoog mag een protocollaire behandeling pas starten nadat een formeel
onderkennend, verklarend én indicerend 3-scenario volledig is doorlopen.
2. In het college worden twee centrale competentiegebieden voor de professionele
diagnosticus onderscheiden: de praktijkwetenschapper en de communicatieve
professional. Wat beschrijft de wisselwerking tussen deze twee gebieden het meest
adequaat?
A. De praktijkwetenschapper verzamelt objectieve data via de diagnostische cyclus,
waarna de communicatieve professional deze data pas bij de advisering mag
inbrengen.
B. Een sterke relationele basis compenseert methodologische tekortkomingen in de
testafname, omdat een veilige werkrelatie de uiteindelijke validiteit garandeert.
C. Zonder een goede relationele werkrelatie is de verkregen informatie vaak minder
betrouwbaar, terwijl luisteren zonder methodisch kader vrijblijvend en richtingloos
wordt.
D. De communicatieve professional richt zich op het verminderen van iatrogene
schade door labels, terwijl de praktijkwetenschapper uitsluitend werkt met
categorische classificatiesystemen.
3. Classificatiesystemen zoals de DSM-5-TR en ICD-11 bieden zowel voordelen als
risico's in de klinische praktijk. Welke bewering over deze systemen is juist?
A. Een DSM-classificatie biedt direct inzicht in de causale ontstaans- en
instandhoudende condities van de psychopathologie bij een individu.
B. De DSM-5-TR definieert stoornissen op basis van etiologische consensus in plaats
van beschrijvende symptoomcriteria.
C. Een classificatie volgens de DSM-5-TR is niet hetzelfde als een diagnose; het is een
, beschrijvende ordening en geen causaal verklarend verhaal.
D. De arbitraire drempelwaarden in de DSM garanderen dat subklinische klachten
geen lijdensdruk kunnen veroorzaken.
4. Een psycholoog zegt over een cliënt: "Jan heeft een depressie in zijn brein zitten en
die depressie zorgt ervoor dat hij vermoeid is en slecht slaapt." Van welke
conceptuele denkfout is hier sprake?
A. Reïficatie van het construct.
B. Het actor-observator effect.
C. Beschikbaarheidsheuristiek.
D. Confirmatorische testbias.
5. Wat was de voornaamste wetenschappelijke aanleiding voor het National Institute
of Mental Health (NIMH) om het Research Domain Criteria (RDoC) kader te
ontwikkelen?
A. De behoefte aan een vereenvoudigde classificatie voor de eerstelijnszorg.
B. De wens om psychische stoornissen uitsluitend via zelfrapportagevragenlijsten te
diagnosticeren.
C. De observatie dat DSM-categorieën kampen met hoge heterogeniteit en
comorbiditeit, en geen onderliggende neurobiologische mechanismen blootleggen.
D. Het ontwikkelen van striktere administratieve drempelwaarden voor
vergoedingen door zorgverzekeraars.
6. Hoe is de RDoC-matrix structureel opgebouwd?
A. Rijen bestaan uit levensfasen; kolommen bestaan uit DSM-stoornissen.
B. Rijen representeren functionele domeinen en constructen; kolommen
representeren units of analysis (meetniveaus).
C. Rijen representeren genetische profielen; kolommen representeren
psychopathologische spectra.
D. Rijen representeren symptomen; kolommen representeren therapeutische
interventies.
7. Een onderzoeker wil nagaan hoe een verminderde gevoeligheid voor beloning bij
depressie zich uit op het niveau van neurale netwerken én computertaken. Binnen
welk RDoC-domein en bijbehorende units of analysis valt dit onderzoek?
A. Domein Negatieve Valentie; units: Cellen en Zelfrapportage.
B. Domein Sociale Processen; units: Fysiologie en Gedrag.
C. Domein Positieve Valentie; units: Circuits en Paradigma's.
D. Domein Arousal en Regulatie; units: Moleculen en Fysiologie.
8. Welke belangrijke beperking van het RDoC-kader werd door voormalig NIMH-
directeur Thomas Insel (2017) en recente meta-analyses (Carvalho et al.)
benadrukt?
A. RDoC maakt te veel gebruik van subjectieve zelfrapportage en negeert
gedragsobservaties.
B. Ondanks miljardeninvesteringen in neurowetenschappelijk en genetisch
onderzoek zijn er nauwelijks betrouwbare transdiagnostische perifere biomarkers
, gevonden die de klinische praktijk direct verbeteren.
C. RDoC sluit categorische DSM-classificaties volledig in, waardoor er geen
transdiagnostische innovatie plaatsvindt.
D. Het model houdt geen rekening met biologische processen onder het niveau van
neurale circuits.
9. Wat is het centrale uitgangspunt van het HiTOP-model (Hierarchical Taxonomy of
Psychopathology)?
A. Psychopathologie bestaat uit kwalitatief verschillende, autonome entiteiten die
elkaar causaal beïnvloeden via netwerken.
B. Psychopathologie is dimensioneel van aard en kan data-gedreven worden
geordend in een hiërarchie van specifieke symptomen tot brede spectra.
C. Psychopathologische klachten moeten worden gereduceerd tot neurobiologische
dysfuncties in zes functionele hersensystemen.
D. Psychopathologie is uitsluitend het gevolg van falende agency in alledaagse
probleemoplossende interacties.
10. In welke volgorde is de HiTOP-hiërarchie opgebouwd, gezien van zeer specifiek en
concreet naar breed en samenvattend?
A. Spectra → Subfactoren → Syndromen → Componenten → Symptomen.
B. Symptomen/tekens → Componenten & trekken → Syndromen → Subfactoren →
Spectra → Algemene factor (ppp-factor).
C. Algemene factor (ppp-factor) → Spectra → Subfactoren → Syndromen →
Symptomen.
D. Knoop → Pad → Brugsymptoom → Feedbacklus → Netwerk.
11. Een cliënt vertoont ernstige sociale terugtrekking, een gebrek aan hechte relaties en
lage positieve emotionaliteit. Binnen welk HiTOP-spectrum worden deze klachten
primair geplaatst?
A. Antagonistic Externalizing.
B. Thought Disorder.
C. Detachment.
D. Disinhibited Externalizing.
12. Wat is een belangrijke methodologische consequentie van het HiTOP-model voor
wetenschappelijk onderzoek?
A. Comorbiditeit tussen diagnoses wordt beschouwd als betekenisvolle informatie
over overkoepelende spectra, in plaats van statistische meetruis.
B. Onderzoekers hoeven geen hypotheses meer vooraf op te stellen omdat data-
algoritmes causale mechanismen automatisch aantonen.
C. Het model biedt directe administratieve cut-offs waardoor verzekeraars zonder
klinisch oordeel behandelingen kunnen toewijzen.
D. HiTOP maakt theorieën over causale mechanismen overbodig omdat
factoranalyse direct etiologie bewijst.
13. Hoe verschilt de Netwerkbenadering fundamenteel van de traditionele DSM-visie op
het concept "psychische stoornis"?
, A. De DSM ziet symptomen als een netwerk, terwijl de netwerkbenadering
symptomen reduceert tot een biologische biomarker.
B. De DSM veronderstelt een onderliggende latente entiteit die de symptomen
veroorzaakt, terwijl de netwerkbenadering stelt dat de direct op elkaar inwerkende
symptomen zélf de stoornis vormen.
C. De DSM hanteert een dimensionele benadering, terwijl de netwerkbenadering
strikt categorisch redeneert.
D. De netwerkbenadering gaat ervan uit dat alle symptomen in een netwerk een
gelijke correlatiesterkte en causaliteit bezitten.
14. In een netwerkanalyse van angst- en depressieklachten blijkt dat piekeren een
sterke verbinding heeft met zowel slaapproblemen (binnen het depressiecluster) als
spierspanning (binnen het angstcluster). Hoe wordt piekeren in dit netwerk
aangeduid?
A. Een latente entiteit.
B. Een moderator-node.
C. Een brugsymptoom.
D. Een perifere lus.
15. Wat is een kritieke valkuil bij het interpreteren van een hoge centraliteit van een
symptoom in een cross-sectioneel symptoomnetwerk?
A. Hoge centraliteit betekent dat het symptoom nauwelijks invloed heeft op het
overige netwerk.
B. Centraliteit in een cross-sectionele correlatiestructuur impliceert niet
automatisch dat dit symptoom de historische causale oorzaak van de problematiek
is.
C. Een centrale klacht kan nooit als direct doelwit voor een cognitief-gedragsmatige
interventie worden gekozen.
D. Hoge centraliteit bewijst dat de klachten berusten op een eenduidige biologische
disfunctie.
16. In hun artikel over Problem-Sustaining Patterns kiezen Voerman et al. (2025) voor
een revisionistische benadering van het concept "psychische stoornis". Wat houdt
deze benadering in?
A. Het begrip 'stoornis' moet radicaal worden afgeschaft (eliminativisme) omdat het
alleen maar schade en stigma veroorzaakt.
B. De huidige DSM-categorieën moeten ongewijzigd blijven, maar aangevuld worden
met genetische markers.
C. Een psychische stoornis wordt beschouwd als een conceptueel artefact dat
waardevolle functies heeft, maar waarvan ontwerpfouten (zoals reïficatie en stigma)
herontworpen moeten worden.
D. Stoornissen moeten uitsluitend worden gedefinieerd als stoornissen in de
hersenfuncties via RDoC-domeinen.
17. Wat is de formele definitie van een Problem-Sustaining Pattern (PSP)?
A. Een statistisch significant cluster van maladaptieve persoonlijkheidstrekken
Vragen 1 t/m 20
1. Tijdens een multidisciplinair overleg merkt een beginnend psycholoog op: "De cliënt
meldt somberheid, anhedonie en slaapproblemen, dus we moeten zo snel mogelijk
nagaan of dit past binnen de DSM-5-criteria voor een depressieve stoornis, zodat we
direct een protocol kunnen starten." Welke fundamentele kritiek heeft de docent
vanuit de werkdefinitie van psychodiagnostiek op deze handelwijze?
A. De psycholoog vergeet dat diagnostiek uitsluitend gericht moet zijn op
neurobiologische biomarkers alvorens classificatiesystemen geraadpleegd worden.
B. De psycholoog reduceert diagnostiek tot een snelle zoektocht naar een passend
label, waardoor context, betekenisverlening en de specifieke hulpvraag van de cliënt
worden overgeslagen.
C. De psycholoog had eerst een intelligentietest moeten afnemen om vast te stellen
of de cognitieve capaciteiten van de cliënt toereikend zijn voor een protocollaire
behandeling.
D. De psycholoog mag een protocollaire behandeling pas starten nadat een formeel
onderkennend, verklarend én indicerend 3-scenario volledig is doorlopen.
2. In het college worden twee centrale competentiegebieden voor de professionele
diagnosticus onderscheiden: de praktijkwetenschapper en de communicatieve
professional. Wat beschrijft de wisselwerking tussen deze twee gebieden het meest
adequaat?
A. De praktijkwetenschapper verzamelt objectieve data via de diagnostische cyclus,
waarna de communicatieve professional deze data pas bij de advisering mag
inbrengen.
B. Een sterke relationele basis compenseert methodologische tekortkomingen in de
testafname, omdat een veilige werkrelatie de uiteindelijke validiteit garandeert.
C. Zonder een goede relationele werkrelatie is de verkregen informatie vaak minder
betrouwbaar, terwijl luisteren zonder methodisch kader vrijblijvend en richtingloos
wordt.
D. De communicatieve professional richt zich op het verminderen van iatrogene
schade door labels, terwijl de praktijkwetenschapper uitsluitend werkt met
categorische classificatiesystemen.
3. Classificatiesystemen zoals de DSM-5-TR en ICD-11 bieden zowel voordelen als
risico's in de klinische praktijk. Welke bewering over deze systemen is juist?
A. Een DSM-classificatie biedt direct inzicht in de causale ontstaans- en
instandhoudende condities van de psychopathologie bij een individu.
B. De DSM-5-TR definieert stoornissen op basis van etiologische consensus in plaats
van beschrijvende symptoomcriteria.
C. Een classificatie volgens de DSM-5-TR is niet hetzelfde als een diagnose; het is een
, beschrijvende ordening en geen causaal verklarend verhaal.
D. De arbitraire drempelwaarden in de DSM garanderen dat subklinische klachten
geen lijdensdruk kunnen veroorzaken.
4. Een psycholoog zegt over een cliënt: "Jan heeft een depressie in zijn brein zitten en
die depressie zorgt ervoor dat hij vermoeid is en slecht slaapt." Van welke
conceptuele denkfout is hier sprake?
A. Reïficatie van het construct.
B. Het actor-observator effect.
C. Beschikbaarheidsheuristiek.
D. Confirmatorische testbias.
5. Wat was de voornaamste wetenschappelijke aanleiding voor het National Institute
of Mental Health (NIMH) om het Research Domain Criteria (RDoC) kader te
ontwikkelen?
A. De behoefte aan een vereenvoudigde classificatie voor de eerstelijnszorg.
B. De wens om psychische stoornissen uitsluitend via zelfrapportagevragenlijsten te
diagnosticeren.
C. De observatie dat DSM-categorieën kampen met hoge heterogeniteit en
comorbiditeit, en geen onderliggende neurobiologische mechanismen blootleggen.
D. Het ontwikkelen van striktere administratieve drempelwaarden voor
vergoedingen door zorgverzekeraars.
6. Hoe is de RDoC-matrix structureel opgebouwd?
A. Rijen bestaan uit levensfasen; kolommen bestaan uit DSM-stoornissen.
B. Rijen representeren functionele domeinen en constructen; kolommen
representeren units of analysis (meetniveaus).
C. Rijen representeren genetische profielen; kolommen representeren
psychopathologische spectra.
D. Rijen representeren symptomen; kolommen representeren therapeutische
interventies.
7. Een onderzoeker wil nagaan hoe een verminderde gevoeligheid voor beloning bij
depressie zich uit op het niveau van neurale netwerken én computertaken. Binnen
welk RDoC-domein en bijbehorende units of analysis valt dit onderzoek?
A. Domein Negatieve Valentie; units: Cellen en Zelfrapportage.
B. Domein Sociale Processen; units: Fysiologie en Gedrag.
C. Domein Positieve Valentie; units: Circuits en Paradigma's.
D. Domein Arousal en Regulatie; units: Moleculen en Fysiologie.
8. Welke belangrijke beperking van het RDoC-kader werd door voormalig NIMH-
directeur Thomas Insel (2017) en recente meta-analyses (Carvalho et al.)
benadrukt?
A. RDoC maakt te veel gebruik van subjectieve zelfrapportage en negeert
gedragsobservaties.
B. Ondanks miljardeninvesteringen in neurowetenschappelijk en genetisch
onderzoek zijn er nauwelijks betrouwbare transdiagnostische perifere biomarkers
, gevonden die de klinische praktijk direct verbeteren.
C. RDoC sluit categorische DSM-classificaties volledig in, waardoor er geen
transdiagnostische innovatie plaatsvindt.
D. Het model houdt geen rekening met biologische processen onder het niveau van
neurale circuits.
9. Wat is het centrale uitgangspunt van het HiTOP-model (Hierarchical Taxonomy of
Psychopathology)?
A. Psychopathologie bestaat uit kwalitatief verschillende, autonome entiteiten die
elkaar causaal beïnvloeden via netwerken.
B. Psychopathologie is dimensioneel van aard en kan data-gedreven worden
geordend in een hiërarchie van specifieke symptomen tot brede spectra.
C. Psychopathologische klachten moeten worden gereduceerd tot neurobiologische
dysfuncties in zes functionele hersensystemen.
D. Psychopathologie is uitsluitend het gevolg van falende agency in alledaagse
probleemoplossende interacties.
10. In welke volgorde is de HiTOP-hiërarchie opgebouwd, gezien van zeer specifiek en
concreet naar breed en samenvattend?
A. Spectra → Subfactoren → Syndromen → Componenten → Symptomen.
B. Symptomen/tekens → Componenten & trekken → Syndromen → Subfactoren →
Spectra → Algemene factor (ppp-factor).
C. Algemene factor (ppp-factor) → Spectra → Subfactoren → Syndromen →
Symptomen.
D. Knoop → Pad → Brugsymptoom → Feedbacklus → Netwerk.
11. Een cliënt vertoont ernstige sociale terugtrekking, een gebrek aan hechte relaties en
lage positieve emotionaliteit. Binnen welk HiTOP-spectrum worden deze klachten
primair geplaatst?
A. Antagonistic Externalizing.
B. Thought Disorder.
C. Detachment.
D. Disinhibited Externalizing.
12. Wat is een belangrijke methodologische consequentie van het HiTOP-model voor
wetenschappelijk onderzoek?
A. Comorbiditeit tussen diagnoses wordt beschouwd als betekenisvolle informatie
over overkoepelende spectra, in plaats van statistische meetruis.
B. Onderzoekers hoeven geen hypotheses meer vooraf op te stellen omdat data-
algoritmes causale mechanismen automatisch aantonen.
C. Het model biedt directe administratieve cut-offs waardoor verzekeraars zonder
klinisch oordeel behandelingen kunnen toewijzen.
D. HiTOP maakt theorieën over causale mechanismen overbodig omdat
factoranalyse direct etiologie bewijst.
13. Hoe verschilt de Netwerkbenadering fundamenteel van de traditionele DSM-visie op
het concept "psychische stoornis"?
, A. De DSM ziet symptomen als een netwerk, terwijl de netwerkbenadering
symptomen reduceert tot een biologische biomarker.
B. De DSM veronderstelt een onderliggende latente entiteit die de symptomen
veroorzaakt, terwijl de netwerkbenadering stelt dat de direct op elkaar inwerkende
symptomen zélf de stoornis vormen.
C. De DSM hanteert een dimensionele benadering, terwijl de netwerkbenadering
strikt categorisch redeneert.
D. De netwerkbenadering gaat ervan uit dat alle symptomen in een netwerk een
gelijke correlatiesterkte en causaliteit bezitten.
14. In een netwerkanalyse van angst- en depressieklachten blijkt dat piekeren een
sterke verbinding heeft met zowel slaapproblemen (binnen het depressiecluster) als
spierspanning (binnen het angstcluster). Hoe wordt piekeren in dit netwerk
aangeduid?
A. Een latente entiteit.
B. Een moderator-node.
C. Een brugsymptoom.
D. Een perifere lus.
15. Wat is een kritieke valkuil bij het interpreteren van een hoge centraliteit van een
symptoom in een cross-sectioneel symptoomnetwerk?
A. Hoge centraliteit betekent dat het symptoom nauwelijks invloed heeft op het
overige netwerk.
B. Centraliteit in een cross-sectionele correlatiestructuur impliceert niet
automatisch dat dit symptoom de historische causale oorzaak van de problematiek
is.
C. Een centrale klacht kan nooit als direct doelwit voor een cognitief-gedragsmatige
interventie worden gekozen.
D. Hoge centraliteit bewijst dat de klachten berusten op een eenduidige biologische
disfunctie.
16. In hun artikel over Problem-Sustaining Patterns kiezen Voerman et al. (2025) voor
een revisionistische benadering van het concept "psychische stoornis". Wat houdt
deze benadering in?
A. Het begrip 'stoornis' moet radicaal worden afgeschaft (eliminativisme) omdat het
alleen maar schade en stigma veroorzaakt.
B. De huidige DSM-categorieën moeten ongewijzigd blijven, maar aangevuld worden
met genetische markers.
C. Een psychische stoornis wordt beschouwd als een conceptueel artefact dat
waardevolle functies heeft, maar waarvan ontwerpfouten (zoals reïficatie en stigma)
herontworpen moeten worden.
D. Stoornissen moeten uitsluitend worden gedefinieerd als stoornissen in de
hersenfuncties via RDoC-domeinen.
17. Wat is de formele definitie van een Problem-Sustaining Pattern (PSP)?
A. Een statistisch significant cluster van maladaptieve persoonlijkheidstrekken