TENTAMENLEERSTOF
Bachelor Criminologie • Universiteit Leiden • Jaar 2 • Tentamen met open vragen
Week 1 — Beeldvorming over daderschap
De centrale gedachte: daderschap als sociale constructie
Sociale constructie van daderschap: daderschap is niet uitsluitend een vaststaand feit met één
vanzelfsprekende betekenis. De betekenis die aan gedrag en aan de persoon van de dader wordt gegeven,
wordt mede gevormd door mensen en instituties en kan veranderen. Dit betekent niet dat een misdrijf niet echt
heeft plaatsgevonden; het gaat om de manier waarop het incident wordt geïnterpreteerd en welke betekenis
eraan wordt toegekend.
Context-, tijd- en cultuurgebonden beeldvorming: wat als ernstig, immoreel of strafbaar wordt gezien, kan
verschillen tussen samenlevingen en perioden. Beeldvorming wordt onder meer beïnvloed door normen, het
strafrecht, wetenschappelijke inzichten en mediaberichtgeving.
Harmful: gedrag is schadelijk wanneer het schade of leed veroorzaakt; de nadruk ligt op de gevolgen.
Wrongful: gedrag wordt als norm overtredend of moreel verwerpelijk gezien; de nadruk ligt meer op de
handeling, de norm en de intentie. Schadelijk en normatief verkeerd zijn dus verwante maar niet identieke
vragen.
Het strafrecht als morele educatie
Morele educatie: het strafrecht straft niet alleen, maar beïnvloedt ook wat mensen als goed, fout en
strafwaardig zien.
Normbevestigend: het strafrecht bevestigt een norm die al maatschappelijk als belangrijk of juist wordt gezien.
Normvormend: door gedrag strafbaar te stellen of als slecht te benoemen, kan het strafrecht bijdragen aan de
ontwikkeling van een nieuwe maatschappelijke norm.
Normondermijnend: gedrag dat als verkeerd werd beschouwd, wordt gebagatelliseerd, waardoor de norm of
de ernst van de overtreding kan verzwakken.
Media, nieuwsselectie en framing
Nieuwsselectie: media berichten niet over alle gebeurtenissen. Ze kiezen welke gebeurtenissen nieuws
worden.
Nieuwswaardigheid: dramatische gebeurtenissen, gebeurtenissen die emoties oproepen, gemakkelijk
voorstelbaar of interpreteerbaar zijn, actuele gebeurtenissen en gebeurtenissen met bekende personen hebben
volgens de colleges meer kans om nieuws te worden.
Selectiebias in berichtgeving: doordat sommige delicten veel zichtbaarder zijn dan andere, kan er een
verschil ontstaan tussen criminaliteit zoals die in het nieuws verschijnt en criminaliteit zoals die in werkelijkheid
voorkomt. Veel media-aandacht betekent niet automatisch dat iets vaak voorkomt.
Brongebruik: journalisten kunnen informatie halen bij politie, OM, advocaten, slachtoffers, nabestaanden of
wetenschappers. De keuze van bronnen beïnvloedt welk verhaal ontstaat.
Framing: een manier om een gebeurtenis te presenteren waarbij bepaalde aspecten worden benadrukt en
andere naar de achtergrond verdwijnen. Framing beïnvloedt hoe het publiek de gebeurtenis interpreteert, wie
als verantwoordelijk wordt gezien en welke oplossingen logisch lijken.
Goffman — frames als ‘schemata of interpretation’: frames zijn interpretatiekaders waarmee mensen
gebeurtenissen herkennen, begrijpen en labelen.
Daders — tentamenleerstof 2026–2027 •
, Een gebeurtenis kan dus op verschillende manieren worden verteld zonder dat de feitelijke gebeurtenis
verandert. De nadruk kan bijvoorbeeld liggen op het slachtoffer, de dader, gevaar, veiligheid, schuld of
verantwoordelijkheid. Een frame beïnvloedt niet alleen wat mensen denken dat er is gebeurd, maar ook wat zij
vinden dat eraan moet worden gedaan.
Vanderveen (2011), Trial by media: vier frames
Vanderveen gebruikt de sociale vergelijkingstheorie om te verklaren hoe het publiek zich verhoudt tot daders en
slachtoffers. Er zijn twee dimensies: identificatie of contrast met het slachtoffer en identificatie of contrast met de
dader.
Identificatie: het publiek voelt verwantschap met iemand, herkent zichzelf in die persoon of denkt: dit had mij
ook kunnen overkomen.
Contrast: het publiek ziet iemand juist als anders dan zichzelf: die persoon is niet zoals ‘wij’.
Tragedie: identificatie met het slachtoffer én identificatie met de dader. Het incident wordt gezien als tragisch en
kan worden verklaard vanuit verontschuldigende omstandigheden of het idee dat de dader er weinig aan kon
doen. De colleges vatten dit samen met ‘hij kon er niks aan doen’.
Moral outrage (morele verontwaardiging): identificatie met het slachtoffer en contrast met de dader. Het
slachtoffer wordt gezien als iemand zoals wij; de dader wordt als een moreel afwijkende buitenstaander of
‘monster’ neergezet. Dit roept verontwaardiging op.
Blaming the victim: contrast met het slachtoffer en identificatie met de dader. Het slachtoffer wordt als anders
of mede verantwoordelijk voorgesteld, terwijl het gedrag van de dader begrijpelijker of verdedigbaar kan lijken.
Het slachtoffer zou het bijvoorbeeld over zichzelf hebben afgeroepen.
Afzijdigheid: contrast met zowel slachtoffer als dader. Het publiek identificeert zich met geen van beiden en
houdt afstand tot het incident.
Toepassing op een casus: benoem eerst met wie het publiek zich kan identificeren en met wie het contrasteert.
Leg daarna uit welk frame daaruit volgt en verwijs naar concrete details uit de berichtgeving. Het oefententamen
accepteert bij het bericht over de steekpartij zowel afzijdigheid als victim blaming, mits de redenering goed
wordt uitgelegd.
Christie: de Ideal Victim
Ideal Victim (ideaal slachtoffer): een slachtoffer dat volgens maatschappelijke verwachtingen gemakkelijk als
‘echt’ slachtoffer wordt herkend en daardoor snel sympathie krijgt.
De in de colleges genoemde kenmerken zijn onder meer: het slachtoffer is zwak of kwetsbaar, was bezig met
een nuttige bezigheid, had geen schuld aan het feit dat het op die plaats was, de dader is ‘big and bad’ en de
dader is onbekend. Een kwetsbare oudere die overdag boodschappen doet en door een onbekende wordt
beroofd, past bijvoorbeeld gemakkelijker in dit stereotype dan iemand die zelf betrokken was bij een criminele
situatie. Dit zegt niets over de vraag of iemand werkelijk slachtoffer is; het gaat om maatschappelijke herkenning
en sympathie.
Just World Theory
Just World Theory: mensen hebben de neiging te geloven dat de wereld in zekere zin rechtvaardig is: goede
dingen gebeuren met goede mensen en slechte dingen met slechte mensen. Als iemand slachtoffer wordt, kan
men daarom gaan zoeken naar gedrag waarmee het slachtoffer dit zelf zou hebben veroorzaakt of verdiend.
Victim blaming als gevolg: het slachtoffer wordt (deels) verantwoordelijk gehouden voor het slachtofferschap.
Dit kan helpen het geloof in een voorspelbare, rechtvaardige wereld in stand te houden.
Media en publiek: drie modellen
Media als spiegel: het oudere idee dat media vooral weerspiegelen wat in de samenleving gebeurt; in de
colleges wordt dit model als achterhaald aangeduid.
Mass manipulation model: de media zijn machtig en beïnvloeden een grotendeels passief publiek. De invloed
loopt vooral van media naar individu. Berichtgeving kan bijvoorbeeld angst voor criminaliteit versterken.
Daders — tentamenleerstof 2026–2027 •