Oefententamen 40 meerkeuze vragen
Bachelor psychologie jaar 3 – alle majors
, 1. Beoordeel de volgende stellingen over mediatie.
I. Een significant indirect effect vereist dat het totale effect van X op Y significant is.
II. Een direct effect kan significant blijven wanneer er ook een indirect effect via M bestaat.
A. Beide stellingen zijn onjuist
B. Stelling I is juist, stelling II is onjuist
C. Stelling I is onjuist, stelling II is juist
D. Beide stellingen zijn juist
2. Beoordeel de volgende stellingen over moderatie.
I. Een significant hoofdeffect van W is voldoende om te concluderen dat W het effect van X op Y
modereert.
II. In een regressiemodel wordt moderatie doorgaans getoetst met een interactieterm X × W.
A. Beide stellingen zijn onjuist
B. Stelling I is juist, stelling II is onjuist
C. Stelling I is onjuist, stelling II is juist
D. Beide stellingen zijn juist
3. Een onderzoeker toetst H0 bij α = .05 en vindt p = .051, zie ook op de afbeelding. Welke
conclusie is het meest correct?
A. H0 is bewezen waar
B. Het resultaat is niet statistisch significant
C. De kans dat H0 waar is, is 5,1%
D. Er is 95% kans dat het gevonden effect waar is.
4. Beoordeel de volgende stellingen over power.
I. Bij gelijkblijvende overige omstandigheden neemt power doorgaans toe bij een grotere
steekproef.
II. Power is de kans om een Type I-fout te maken.
A. Beide stellingen zijn onjuist
B. Stelling I is juist, stelling II is onjuist
C. Stelling I is onjuist, stelling II is juist
D. Beide stellingen zijn juist