1.1 Morele educatie door het strafrecht............................................................................................................. 4
1.2 Media: beeldvorming over daderschap........................................................................................................5
1.2.1 Framing en framing theory................................................................................................................ 5
1.2.2 De verhouding tussen media en publiek........................................................................................... 6
1.2.3 Concreet: interactie via opsporingsberichtgeving..............................................................................7
1.2.4 Mediahypes & morele paniek............................................................................................................ 8
1.3 Publiek: beoordeling van dader en slachtoffer...........................................................................................10
1.3.1 Identificatie en contrast met dader en slachtoffer............................................................................ 11
1.4 Concreet: beeldvorming van forensische psychiatrie in fictieve media..................................................... 13
1.5 Gevolgen van beeldvorming...................................................................................................................... 14
Week 2 - Ontstaan en ontwikkeling van daderschap........................................................................................ 15
2.1 Dual Taxonomy - Moffitt............................................................................................................................. 15
2.1.1 Life-Course Persistent offenders..................................................................................................... 16
2.1.2 Adolescence-Limited offenders....................................................................................................... 17
2.2 Desistance en keerpunten - Laub & Sampson.......................................................................................... 19
2.3 Psychische problematiek van gedetineerden............................................................................................ 21
2.3.1 Licht Verstandelijke Beperking (LVB).............................................................................................. 22
2.4 Relatie tussen stoornis en delict................................................................................................................ 23
Week 3 - Dadertypen.............................................................................................................................................26
3.1 Jeugdcriminaliteit....................................................................................................................................... 26
3.1.1 Risicofactoren - Pereira, Farrington & Maciel..................................................................................27
3.2 Cybercriminaliteit....................................................................................................................................... 29
3.3 Georganiseerde criminaliteit...................................................................................................................... 30
3.3.1 Outlaw Motorcycle Gangs (OMG's)................................................................................................. 31
3.4 Witteboorden- en organisatiecriminaliteit...................................................................................................32
3.4.1 Fraudeurs........................................................................................................................................ 34
3.5 Desistance................................................................................................................................................. 35
3.5.1 Redemption script - Maruna............................................................................................................ 36
3.5.2 Desistance - Weijers........................................................................................................................36
Week 4 - Gevolgen van daderschap....................................................................................................................40
4.1 Strafrechtsketen bij jeugdigen................................................................................................................... 41
4.2 Strafrechtsketen bij volwassenen.............................................................................................................. 42
4.3 Terbeschikkingstelling (TBS)..................................................................................................................... 42
4.4 Detentieschade en ervaren strafzwaarte................................................................................................... 44
4.4.1 Pains of imprisonment - Sykes........................................................................................................ 45
4.4.2 Subjectieve zwaarte van detentie....................................................................................................46
4.4.3 Import- en deprivatiefactoren - Raaijmakers et al............................................................................47
4.5 Resocialisatie en re-integratie................................................................................................................... 49
4.5.1 Vormen van re-integratie................................................................................................................. 51
4.5.2 Re-integratiepaden - Doekhie et al..................................................................................................53
4.6 Labeling theory - Bernburg........................................................................................................................ 54
Week 5 - Actueel daderschap: femicide............................................................................................................. 58
5.1 Definitie en afbakening.............................................................................................................................. 58
5.2 Omvang en patronen van vrouwenmoord................................................................................................. 59
5.3 Intieme partnerdoding................................................................................................................................61
5.3.1 Patriarchale theorie......................................................................................................................... 63
5.3.2 Dadertypologieën - Aarten & Liem (2022)....................................................................................... 64
2
,Week 1 - Beeldvorming over daderschap
Als we over een dader spreken, lijkt vaak meteen duidelijk wie daarmee wordt bedoeld en
wat iemand tot dader maakt. Toch ligt de betekenis van daderschap niet volledig vast. Wat
als ernstig, afwijkend of crimineel gedrag wordt beschouwd, wordt namelijk mede bepaald
door de samenleving. Daardoor kan de invulling van daderschap verschillen tussen
verschillende tijden, plaatsen en sociale contexten.
Beeldvorming over daderschap = de totstandkoming van percepties en beelden over de
persoon van de dader en over wat daderschap inhoudt.
Daderschap kan worden gezien als een sociale constructie
= Of iemand als dader wordt gezien, hangt niet alleen af van wat die persoon heeft
gedaan. Ook sociale normen, waarden en ideeën bepalen welk gedrag als verkeerd,
afwijkend of crimineel wordt gezien en welk beeld daardoor van een dader ontstaat.
Omdat deze normen en ideeën kunnen veranderen, verschilt ook de betekenis van
daderschap per tijd, plaats en context.
Die constructie wordt onder andere gevormd door:
● wat we als samenleving erg vinden (harms en wrongs);
● bestaande maatschappelijk geaccepteerde beelden, waaronder het strafrecht;
● wetenschappelijke inzichten;
● mediaberichtgeving en fictie.
Deze factoren beïnvloeden elkaar. Opvattingen over wat schadelijk of verkeerd is, kunnen
bijvoorbeeld in het strafrecht worden vastgelegd. Via media kunnen zulke opvattingen
vervolgens worden bevestigd, versterkt of juist veranderd.
→ Daderschap is dynamisch: wat als daderschap wordt gezien verandert met
maatschappelijke normen en context.
Aan de basis van de constructie van daderschap ligt de vraag welk gedrag we eigenlijk erg
vinden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee redenen waarom gedrag negatief
kan worden beoordeeld:
● Harmful = gedrag veroorzaakt schade of leed. De nadruk ligt op de consequenties
van het gedrag.
○ VB: diefstal of geweldsdelicten veroorzaken schade of leed bij anderen.
● Wrongful = gedrag wordt als moreel verkeerd gezien omdat het een sociale of
morele norm overschrijdt. De nadruk ligt op het verkeerde karakter van het gedrag,
los van de omvang van de concrete schade.
○ VB: grafschennis of respectloos omgaan met een overledene. Het gedrag
wordt als moreel verkeerd en normoverschrijdend wordt gezien.
→ Het onderscheid laat zien dat onze beoordeling van gedrag uit meer bestaat dan alleen
kijken naar de feitelijke schade.
1.1 Morele educatie door het strafrecht
Maatschappelijke opvattingen over harmful en wrongful gedrag kunnen bepalen wat
strafwaardig wordt gevonden. Die relatie werkt ook andersom: door gedrag wel of niet
strafbaar te stellen kan het strafrecht beïnvloeden wat mensen als goed of fout beschouwen.
Dit wordt morele educatie door het strafrecht genoemd.
3
, 1. Normbevestigend
Gedrag wordt strafbaar gesteld omdat het maatschappelijk al als schadelijk of slecht
wordt gezien.
● VB: diefstal is strafbaar → bevestigt dat stelen verkeerd is.
2. Normvormend
Het strafrecht duidt gedrag als slecht en helpt daarmee de maatschappelijke norm te
vormen.
● VB: stalking wordt strafbaar → burgers gaan het sterker als verkeerd zien.
3. Normondermijnend
Gedrag wordt nauwelijks veroordeeld of bestraft, waardoor de maatschappelijke
afkeuring ervan kan afnemen.
● VB: vandalisme wordt nauwelijks bestraft → burgers kunnen het minder
ernstig gaan vinden.
Er is dus sprake van een wisselwerking. Maatschappelijke opvattingen over harmful en
wrongful gedrag kunnen bepalen wat strafwaardig wordt gevonden, terwijl het strafrecht
vervolgens weer kan bevestigen, vormen of ondermijnen hoe mensen over dat gedrag
denken.
1.2 Media: beeldvorming over daderschap
De meeste mensen hebben weinig directe ervaring met criminaliteit en vormen hun beeld
van daders en slachtoffers daarom voor een belangrijk deel via media. Media geven de
werkelijkheid echter niet één-op-één door: door gebeurtenissen te selecteren en op een
bepaalde manier te presenteren, reflecteren én construeren zij beeldvorming over
criminaliteit.
De invloed van media vindt op drie niveaus plaats:
● Selectie van nieuws = media bepalen welke gebeurtenissen aandacht krijgen.
Vooral dramatische, emotionele, voorstelbare en makkelijk te interpreteren
gebeurtenissen hebben hoge nieuwswaarde.
→ Het publiek ziet daardoor een geselecteerd deel van de werkelijkheid.
● Gebruik van bronnen = media kiezen bijvoorbeeld tussen politie, OM, advocaten,
slachtoffers/nabestaanden en deskundigen. Welke bron centraal staat beïnvloedt
welke informatie en welk perspectief naar voren komen.
● Gekozen perspectief = media bepalen welke aspecten van een gebeurtenis worden
benadrukt en hoe deze via tekst of beeld worden gepresenteerd. Dit beïnvloedt hoe
het publiek de gebeurtenis interpreteert.
De betekenis van een gebeurtenis ontstaat dus niet pas bij het publiek. Media geven al
tijdens het selectie- en presentatieproces richting aan hoe een gebeurtenis begrepen kan
worden.
1.2.1 Framing en framing theory
Mensen kunnen een gebeurtenis op verschillende manieren begrijpen. Om betekenis te
geven aan wat er gebeurt, gebruiken we als het ware een bepaald kader waarbinnen we de
situatie bekijken. Goffman noemt zo’n kader een frame. Een frame helpt ons om
gebeurtenissen te ordenen en te begrijpen, maar zorgt er tegelijkertijd voor dat bepaalde
aspecten meer opvallen dan andere.
4
,Kernidee: framing bepaalt niet wat er feitelijk is gebeurd, maar wel hoe die gebeurtenis
wordt geïnterpreteerd. Door bepaalde aspecten te benadrukken en andere naar de
achtergrond te schuiven, geeft een frame richting aan de betekenis die mensen aan de
gebeurtenis geven en maakt het sommige interpretaties aannemelijker dan andere.
Framing kan namelijk:
● het probleem definiëren;
● bepaalde oorzaken aanwijzen;
● verantwoordelijkheid toeschrijven;
● een moreel oordeel stimuleren;
● bepaalde oplossingen naar voren schuiven.
→ Afhankelijk van het gekozen frame kan dezelfde gebeurtenis daardoor als een ander
soort probleem worden gezien. Dat beïnvloedt vervolgens welke oorzaken belangrijk lijken,
aan wie verantwoordelijkheid wordt toegeschreven en welke reactie passend wordt
gevonden.
VB: overlast door drugsverslaafden kan worden gezien als een criminaliteitsprobleem
of als een gezondheidsprobleem → Het gekozen frame bepaalt mede de reactie:
handhaving en bestraffing versus zorg en behandeling.
Framing gaat dus niet alleen over welke informatie wordt gegeven, maar vooral over hoe die
informatie wordt georganiseerd en gepresenteerd. Door woordkeuze, beelden en
perspectief worden bepaalde interpretaties naar voren geschoven, terwijl andere minder
zichtbaar worden.
Media zijn hierin echter niet de enige partij. Ook politici, burgers en andere maatschappelijke
actoren proberen gebeurtenissen vanuit hun eigen frame te definiëren. Daardoor kan een
definitiestrijd ontstaan over wat het probleem precies is, wie verantwoordelijk is en hoe
erop moet worden gereageerd. De verschillende frames en discussies die zo naast en
tegenover elkaar ontstaan, vormen samen het bredere maatschappelijke discours.
1.2.2 De verhouding tussen media en publiek
Framing laat zien dat media richting geven aan de manier waarop gebeurtenissen worden
begrepen, maar daarmee is nog niet bepaald hoeveel invloed die frames daadwerkelijk op
het publiek hebben. De relatie tussen media en publiek kan namelijk op verschillende
manieren worden voorgesteld. Het belangrijkste verschil tussen deze modellen is daarom
hoe actief media en publiek worden gezien en in welke richting de beïnvloeding verloopt.
In de meest eenvoudige visie zouden media vooral een neutrale weerspiegeling van de
werkelijkheid zijn:
● Media als spiegel = de traditionele gedachte dat media de wereld zo objectief
mogelijk weergeven en slechts doorgeven wat er in de samenleving en zo de
werkelijkheid zo neutraal mogelijk weerspiegelen. In de praktijk is dit moeilijk vol te
houden, omdat media altijd keuzes maken over nieuws, bronnen en perspectief.
→ Daarom wordt deze visie als te simpel/achterhaald gezien.
Om de werkelijke verhouding tussen media en publiek beter te begrijpen, wordt vooral
gekeken naar twee modellen waarin media een actievere rol krijgen:
5
, a) Mass manipulation model
Kernidee: bij het mass manipulation model bepalen media in sterke mate welke informatie
het publiek krijgt en hoe die informatie wordt gepresenteerd. Het publiek wordt daarbij vooral
gezien als ontvanger die deze mediaboodschappen grotendeels overneemt, waardoor
beïnvloeding vooral één richting op loopt: media → publiek.
● media selecteren en framen bewust
● een beperkte groep bepaalt welke informatie wordt verspreid
● het publiek ontvangt die boodschap en neemt deze grotendeels over
Dit model kent dus veel macht toe aan de media en weinig zelfstandige interpretatie aan het
publiek.
b) Commercial laissez-fairemodel
Kernidee: bij het commercial laissez-fairemodel proberen media het publiek te beïnvloeden,
maar het publiek neemt mediaboodschappen niet zomaar over. Mensen kiezen en
interpreteren zelf wat zij zien, terwijl media zich tegelijk aanpassen aan wat het publiek
interessant vindt. De beïnvloeding verloopt daarom in twee richtingen: media ⇄ publiek.
● Media proberen aandacht te trekken en invloed uit te oefenen, maar passen hun
aanbod tegelijk aan op de voorkeuren en reacties van het publiek.
● Publiek is niet alleen ontvanger, maar ook consument. Waar belangstelling voor
bestaat, wat wordt aangeklikt en waarop wordt gereageerd, beïnvloedt weer wat
media aanbieden.
● Terug te zien in veel hedendaagse westerse mediacontexten.
→ Het verschil tussen deze modellen wordt duidelijk zichtbaar bij opsporingsberichtgeving:
daar kan het publiek variëren van ontvanger van een door de media gestuurd verhaal tot
actieve deelnemer aan opsporing en beeldvorming.
1.2.3 Concreet: interactie via opsporingsberichtgeving
Opsporingsberichtgeving laat concreet zien hoe framing en de verhouding tussen media en
publiek in de praktijk werken. Opsporing Verzocht en GeenStijl gebruiken beide
opsporingsinformatie, maar presenteren die vanuit een ander frame. Daardoor verschilt niet
alleen hoe criminaliteit wordt voorgesteld, maar ook welke rol het publiek krijgt.
Bij Opsporing Verzocht bepaalt de politie grotendeels welke zaken worden getoond en hoe
deze worden gepresenteerd. Vooral ernstige maar relatief commune delicten worden
geselecteerd: gebeurtenissen waarvan kijkers zich kunnen voorstellen dat ze henzelf ook
zouden kunnen overkomen.
↳ Slachtofferframe = een manier van presenteren waarbij het slachtoffer en diens leed
centraal staan, waardoor identificatie met het slachtoffer en afstand tot de dader worden
gestimuleerd.
Het slachtofferframe komt terug in drie vaste narratieven:
1. Goed tegenover kwaad
Gewoon en onschuldig slachtoffer tegenover een afwijkende dader.
VB: een normale thuissituatie wordt plotseling verstoord door gewelddadige
overvallers.
2. Nadruk op het leed van het slachtoffer
De lichamelijke of psychische gevolgen van het delict worden benadrukt om
6