3.1 Leenheren, leenmannen en horigen
Het vroegmiddeleeuwse koningschap
De Germanen die in de tijd van de volksverhuizingen het Romeinse Rijk binnendrongen
werden aangevoerd door krijgsheren. Alleen tijdens de veldslag.
Krijgsheren werden door deelnemers van de veldslag uitgekozen. Kregen soms de titel
'koning'
toen Germaanse volken staten gingen stichten, was er vaak familie die het koningschap
bezat. Dit werd doorgegeven aan de zoons, onderverdeeld over de zoons.
Ze probeerden instellingen van het Romeinse bestuur te behouden maar dit lukte vaak niet
want ze hadden helemaal niet heel veel macht.
Lokale machthebbers hadden het vaak over het zeggen in hun eigen regio.
in 800 kroonde de paus Karel de Grote tot keizer. Eerst was hij koning van de Franken en
grote delen van West-Europa.
Feodale verhoudingen
Vazallen/leenmannen beschermden de koning (iemand die eed en trouw had beloofd aan
de koning).
Koning deelde de buit met hen.
Hofmeijer Karel Martel beloonde met stukken land, hij gaf dat te leen.
Vazallen/leenmannen zegden hun trouw vaak op als ze niet genoeg werden behandeld
door hun leenheer.
De deling van het rijk
in de loop van de 9e eeuw werd het Frankische rijk steeds verder opgedeeld. De 3 zonen
van Karel de Grote kregen elk een deel. West-, Midden-, en Oost-Frankische rijk.
West-, en Oost-Frankische rijk hadden een koning, Middendeel had een keizer, maar dat
viel snel uiteen.
Noormannen, Hongaren en moslimpiraten teisterden Europa door plundertochten> in de
10e eeuw kwamen daardoor andere adellijke families op de troon. Ze waren niet heel
machtig en werden als gelijken gezien aan de edelen die ze hadden verkozen.
Landbouwsamenleving
In de laatste periode van het West-Romeinse Rijk begon een enorme economische crisis
die bleef ontwikkelen. De handel werd erg moeilijk vanwege de onveiligheid. Door de
afname van handel in combinatie met epidimieën en oorlog liep het inwoners aantal van
Het vroegmiddeleeuwse koningschap
De Germanen die in de tijd van de volksverhuizingen het Romeinse Rijk binnendrongen
werden aangevoerd door krijgsheren. Alleen tijdens de veldslag.
Krijgsheren werden door deelnemers van de veldslag uitgekozen. Kregen soms de titel
'koning'
toen Germaanse volken staten gingen stichten, was er vaak familie die het koningschap
bezat. Dit werd doorgegeven aan de zoons, onderverdeeld over de zoons.
Ze probeerden instellingen van het Romeinse bestuur te behouden maar dit lukte vaak niet
want ze hadden helemaal niet heel veel macht.
Lokale machthebbers hadden het vaak over het zeggen in hun eigen regio.
in 800 kroonde de paus Karel de Grote tot keizer. Eerst was hij koning van de Franken en
grote delen van West-Europa.
Feodale verhoudingen
Vazallen/leenmannen beschermden de koning (iemand die eed en trouw had beloofd aan
de koning).
Koning deelde de buit met hen.
Hofmeijer Karel Martel beloonde met stukken land, hij gaf dat te leen.
Vazallen/leenmannen zegden hun trouw vaak op als ze niet genoeg werden behandeld
door hun leenheer.
De deling van het rijk
in de loop van de 9e eeuw werd het Frankische rijk steeds verder opgedeeld. De 3 zonen
van Karel de Grote kregen elk een deel. West-, Midden-, en Oost-Frankische rijk.
West-, en Oost-Frankische rijk hadden een koning, Middendeel had een keizer, maar dat
viel snel uiteen.
Noormannen, Hongaren en moslimpiraten teisterden Europa door plundertochten> in de
10e eeuw kwamen daardoor andere adellijke families op de troon. Ze waren niet heel
machtig en werden als gelijken gezien aan de edelen die ze hadden verkozen.
Landbouwsamenleving
In de laatste periode van het West-Romeinse Rijk begon een enorme economische crisis
die bleef ontwikkelen. De handel werd erg moeilijk vanwege de onveiligheid. Door de
afname van handel in combinatie met epidimieën en oorlog liep het inwoners aantal van