Inleiding HC 1 het rechtsbegrip en rechtsgang
Kernvraag: wat is het recht?
Waarom is er recht?
Waar zouden we zijn zonder het recht?
De basisfuncties van de rechtsorde:
Rechtszekerheid: Verwijst naar het positieve recht als stabiel juridisch kader voor menselijke
interacties: het normatieve moment.
Rechtvaardigheid: verwijst naar waarden, opvattingen en ideeën die het rechtssysteem informeren,
voeden en als kritische toetssteen van het positieve recht fungeren: het ideële moment.
Doelmatigheid: verwijst naar de wisselwerking tussen het positieve recht en de wijze waarop
mensen zich feitelijk gedragen in de sociale werkelijkheid: het actuele moment.
Het normatieve moment voorbeelden:
Art. 4 Wet Algemene bepalingen: de wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene
terugwerkende kracht.
Art. 16 Grondwet en Art. 1 lid 1 Sr: geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling.
Het ideële moment voorbeelden:
Art.1 Grondwet: allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.
Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele
gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
,Het actuele moment voorbeelden:
Art. 13 Wet Algemene Bepalingen: De regter die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van het
stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet, kan uit hoofde van regtsweigering vervolgd
worden.
HET ZEBRAPAD: HET IDEËLE MOMENT
• Beschermt de zwakkere verkeersdeelnemer (voetganger) tegen de sterkere verkeersdeelnemers
(fietsers, gemotoriseerd verkeer).
• Beschermt in het bijzonder hulpbehoevende en Minderjarige verkeersdeelnemers, zoals mensen met een
visuele beperking, kinderen, slecht ter been zijnden etc.
• Wordt deze 'waarde' van het rechtsgeldige zebrapad wel verwezenlijkt in de praktijk (het actuele
moment)?
Het normatieve moment?
Het positieve recht m.b.t. voetgangersoversteekplaatsen
Het ideële moment?
Bescherming zwakkere verkeersdeelnemer
Het actuele moment?
Daadwerkelijk gedrag rondom zebrapad
DOGMATISCHE ONDERSCHEIDINGEN POSITIEVE RECHT
• Onder het positieve recht verstaan wij het door (bevoegde) mensen gemaakte ('geponeerde') recht.
• Basisindelingen in het recht:
- Objectief en subjectief recht.
- Materieel en formeel recht.
- Privaatrecht en publiekrecht.
- Dwingend en regelend recht.
Hoorcollege inleiding tot rechtswetenschap week 2 – Rechtsbronnen
Waar is het positieve recht te vinden? In de rechtsbronnen. Met behulp van de rechtsbronnen kunnen
we identificeren wat geldend recht is. Het positieve recht heet het geldend recht.
Kan geldend recht immoreel of onwenselijk zijn? Dat kan
Formele karakter van rechtsbronnen: ze gaan niet over de inhoud maar over de vorm die een regel
moet hebben om geldend te zijn. Kan ik deze regel terug herleiden naar een rechtsbron: zoals de wet?
Welke kenmerken heeft die en waar komt het vandaan? Om te bepalen of iets geldend recht is kijk je naar
de vorm van een bepaalde regel.
Erkende rechtsbronnen naar Nederlands recht
, - Wet
- Rechtspraak
- Internationaal verdrag -> behoort tot het Nederlandse recht
- Gewoonte -> ongeschreven regel die ontstaat op plekken waar mensen met elkaar samenwerken en
vertrouwen dat dingen op een bepaalde manier dingen gebeuren.
Rechtsbeginselen: rechtsbron met een groot vraagteken?
Rechtsgeleerde literatuur?
De momentendriehoek: Law in action
Ideële moment: rechtsbeginselen
- het recht naar het idee en de achterliggende gedachte van het recht, welke waarden en welke ideeën van
rechtssysteem, ook rechtsbeginselen hebben vaak soms morele waarden. Bijv. het
rechtszekerheidsbeginsel dat je erop mag vertrouwen.
Normatieve moment: wet, rechtspraak, verdrag.
-
Actuele moment: gewoonte
- Het moment waarop het recht in de rechtspraktijk functioneert – wisselwerking tussen het recht en
relaties tussen mensen.
De wet als rechtsbron: codex hammurabi ca. 1780 v. Chr. Een uitgebreide codificatie van bestaande
rechtspraktijken.
- Wet in formele zin: wanneer het gaat om een wet die tot stand is gekomen door de statengeneraal
(Eerste & Tweede kamer) en regering Art. 81 Gw.
- Wet in materiële zin: de wet richt zich tot het onbepaalde groep mensen,
bijv. een bepaald verdrag in algemene zin, het geldt voor een onbepaalde categorie mensen.
Wetboek van materieel strafrecht -> Dingen die je niet mag doen omdat je gestraft kan worden. Ook
tevens een wet in formele zin.
Algemene plaatselijke verordening is ook een voorbeeld hiervan -> bijv. dat je niet mag parkeren in
een bepaalde straat -> het richt zich tot allerlei mensen.
Een beschikking is bijv. geen wet in materiele zin.
Kaderwetten: wet die gemaakt wordt door formele wetgever. Die willen iets regelen en willen niet alles
tot in detail regelen, dus lagere regelgeving maakt het gedetailleerder. Dit wordt overgelaten aan de
minister van volksgezondheid bijv. dus als iets verder geregeld moet worden heet het een kaderwet. Wat
lager wordt uitgewerkt heet een wet in materiële zin en is dus geen wet in formele zin meer.