HC1 – Introductie Psyche & Soma
1. Medische psychologie
Medische psychologie richt zich op de wisselwerking tussen lichamelijke ziekte, psychisch functioneren en
medische behandeling. Medisch psychologen hebben kennis over hoe het psychisch functioneren van een
patiënt de ziekte en behandeling beïnvloedt en over de communicatie hierover met zorgverleners. Ze
beschikken daarnaast over vaardigheden om dit te verbeteren. Ze kunnen onder andere werkzaam zijn in een
ziekenhuis, gespecialiseerd centrum of zelfstandige praktijk.
Medische psychologie is relevant omdat psychische problemen relatief vaak voorkomen bij chronische
lichamelijke ziekte:
ongeveer 30% ervaart psychische problemen bij het omgaan met een chronische ziekte;
ongeveer 10% ontvangt ergens gedurende het ziektetraject een psychosociale interventie.
Psychische problemen hebben niet alleen gevolgen voor de patiënt. Depressie bij chronische ziekte hangt
samen met meer zorggebruik en hogere zorgkosten, en met meer ziekteverzuim en productieverlies.
Psychologische zorg is daarbij vaak kosteneffectief.
Werkzaamheden van de medisch psycholoog
Een medisch psycholoog kan betrokken zijn bij:
patiëntenzorg;
multidisciplinair overleg (MDO);
communicatie tussen arts en patiënt;
onderwijs aan bijvoorbeeld artsen en verpleegkundigen;
wetenschappelijk onderzoek;
somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK);
kinder- en jeugdpsychologie in het ziekenhuis, bijvoorbeeld rondom zwangerschap, bevalling en de
eerste levensjaren.
Niet alle psychische problematiek bij iemand met een lichamelijke aandoening wordt automatisch binnen de
medische psychologie behandeld. Er moet worden gekeken welke zorgsetting het beste past. Bij de huisarts
kan bijvoorbeeld worden afgewogen tussen POH-GGZ en basis- of specialistische psychische zorg. Bij complexe
problematiek, zoals persoonlijkheidsproblematiek, kan specialistische GGZ passender zijn dan behandeling door
de medisch psycholoog.
2. Medisch-specialistische revalidatie
Het doel van medisch-specialistische revalidatie is om ervoor te zorgen dat een stoornis zo min mogelijk leidt
tot beperkingen in activiteiten en dat beperkingen in activiteiten zo min mogelijk leiden tot
participatieproblemen. De figuur op de slide maakt onderscheid tussen:
ziekte/aandoening → functies/anatomische eigenschappen ↔ activiteiten ↔ participatie
Daarnaast spelen externe factoren en persoonlijke factoren een rol. Het functioneren van iemand wordt dus
niet alleen bepaald door de lichamelijke aandoening zelf.
Uitgangspunten van revalidatiepsychologie
Belangrijke uitgangspunten zijn:
Functioneren ontstaat uit de interactie tussen persoon en omgeving. Belemmeringen in de omgeving
kunnen soms meer invloed hebben op het dagelijks functioneren dan de beperking zelf.
Mensen met een aandoening weten zelf hoe het is om ermee te leven en kunnen hun aandoening
vaak beter in perspectief plaatsen. Buitenstaanders kunnen ten onrechte denken dat een beperking
allesoverheersend en uitsluitend negatief is.
Leren omgaan met een beperking is een dynamisch en continu proces.
Klachten zoals pijn, vermoeidheid en stemming zijn niet simpelweg een directe weerspiegeling van
lichamelijke sensaties. Het zijn persoonlijke ervaringen en daardoor ook beïnvloedbaar door
interventies.
Mensen met een aandoening hebben, ongeacht de achtergrond of ernst daarvan, recht op respect,
aanmoediging en waardigheid.
3. Intake en diagnostische cyclus
,Voor een intake kan de medisch psycholoog verschillende informatiebronnen gebruiken:
vooroverleg met de verwijzer;
anamnese;
vragenlijsten;
heteroanamnese;
op indicatie psychologische tests;
op indicatie neuropsychologisch onderzoek;
informatie opvragen bij andere bronnen.
Psycho-educatie
Binnen medische psychologie bestaat psycho-educatie onder andere uit:
Empathisch exploreren van de belevingswereld van de patiënt en diens naasten en de knelpunten die
zij ervaren.
Educatie geven over reacties op de medische situatie, de stressoren die daaruit voortkomen en
veelvoorkomende aanpassingsreacties.
De daadwerkelijke aanpassingsreacties van patiënt en naasten onderzoeken en kijken waar
knelpunten ontstaan.
Adequate aanpassingsreacties positief bekrachtigen en onderzoeken hoe de veerkracht van patiënt en
naasten versterkt kan worden.
De focus ligt dus niet alleen op wat misgaat, maar ook op aanwezige adequate coping en veerkracht.
Behandeling
Binnen de medische psychologie kunnen verschillende behandelvormen worden gebruikt:
Cognitieve gedragstherapie (CGT);
Mindfulness-Based Cognitive Therapy;
Compassion-Focused Therapy;
Acceptance and Commitment Therapy (ACT);
EMDR;
Emotion-Focused Therapy (EFT);
Problem Solving Treatment (PST);
Interpersoonlijke psychotherapie (IPT);
Rouwtherapie;
Relatie- of partnergesprekken.
Er bestaat dus niet één standaardbehandeling voor medisch-psychologische problematiek; de interventie wordt
afgestemd op de problematiek en context.
4. Differentiaaldiagnostiek bij somatische ziekte
Bij de intake is differentiaaldiagnostiek belangrijk, omdat psychische en lichamelijke symptomen verschillende
oorzaken kunnen hebben. Symptomen kunnen samenhangen met biologische, psychologische én sociale
oorzaken en risicofactoren.
Een symptoom dat psychisch lijkt, kan bijvoorbeeld een somatische oorzaak hebben:
Karakterveranderingen, zoals afgevlakt of ongeremd gedrag → kunnen samenhangen met
hersenmetastasen.
Somberheid en prikkelbaarheid → kunnen een bijwerking zijn van medicatie, bijvoorbeeld
hormoontherapie.
Vermoeidheid en verminderde eetlust → kunnen psychisch van aard zijn, maar ook veroorzaakt
worden door een voortschrijdende lichamelijke ziekte.
Kern: bij een somatisch zieke patiënt moet je psychische symptomen niet automatisch psychologisch verklaren.
Je moet rekening houden met mogelijke somatische oorzaken, medicatie en psychosociale factoren.
5. Psychische reacties op ernstige ziekte
,De realiteit van ernstige ziekte en een mogelijke naderende dood kan zowel voor de patiënt als voor de
psycholoog confronterend zijn. Voor de psycholoog zijn daarom intervisie, supervisie en een eigen
steunsysteem belangrijk.
Daarnaast geldt:
gevoelens van machteloosheid kunnen passen bij de realiteit van ziekte en overlijden;
psychische klachten kunnen passend zijn binnen de situatie en zijn dus niet automatisch
psychopathologisch;
zingevingstherapie of ACT kunnen uitkomst bieden;
tegelijkertijd kunnen sommige klachten relatief gemakkelijk worden verholpen;
veel patiënten waren vóór hun ziekte goed functionerende volwassenen voor wie de ziekte uiteindelijk
te belastend werd.
6. Wat is gezondheid?
WHO-definitie (1948)
Gezondheid is een toestand van compleet lichamelijk, sociaal en mentaal welbevinden, en niet alleen de
afwezigheid van ziekte of gebreken.
Huber et al. (2011)
Gezondheid is het vermogen om je aan te passen en eigen regie te voeren in het licht van sociale, fysieke en
emotionele uitdagingen.
Het belangrijke verschil is dus:
WHO → gezondheid als toestand van compleet welbevinden.
Huber → gezondheid als vermogen tot aanpassing en eigen regie.
Bij de definitie van Huber kan iemand dus een lichamelijke aandoening hebben en toch in belangrijke mate
gezond functioneren.
7. Biomedisch versus biopsychosociaal model
Biomedisch model
Volgens het biomedische model kan ziekte volledig worden verklaard vanuit fysiologische processen.
Biopsychosociaal model
Het biopsychosociale model van George Engel (1977) betrekt de invloed van biologische, psychologische en
sociale factoren op gezondheid en ziekte.
Gezondheid is volgens deze benadering de uitkomst van een complexe combinatie van onder andere:
genetische processen + biomedische processen + psychologische processen + leefstijl + sociale context
+ politieke/economische context + milieu/klimaat.
Het biopsychosociale model is eigenlijk niet één vast model, maar kan worden beschouwd als een verzameling
modellen met verschillende oorzaken en risicofactoren voor specifieke aandoeningen of fasen daarvan. Het kan
zowel op individueel niveau als op groepsniveau, bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek, worden
gebruikt.
Verschillen tussen de modellen
, 8. Circulaire causaliteit
Voor de invloed van zowel biologische als psychosociale processen op gezondheid bestaat evidentie. Bij
genetische en biomedische processen zijn oorzaak-gevolgrelaties vaak duidelijker. Bij psychologische en sociale
processen is causaliteit vaak moeilijker vast te stellen, onder andere doordat veel onderzoek correlationeel is.
Daarbij kunnen verschillende verklaringen spelen:
Circulaire causaliteit: A beïnvloedt B, maar B beïnvloedt vervolgens ook weer A.
Gedeelde etiologie: twee verschijnselen hangen samen doordat ze (deels) dezelfde onderliggende
oorzaak hebben.
Risicofactor: een factor hangt samen met een grotere kans op een uitkomst, maar dat betekent niet
automatisch dat de factor rechtstreeks de oorzaak is.
Voorbeeld: sociale steun en kanker
Mensen met veel sociale steun overleven gemiddeld langer na een diagnose kanker. Toch is er geen bewijs dat
een interventie die sociale steun verhoogt vervolgens leidt tot langere overleving. De figuur op de slide spreekt
daarom van een 'web van wederzijdse connecties'. Sociale steun kan bijvoorbeeld samenhangen met:
minder stress → betere zelfzorg → betere therapietrouw → minder complicaties → overleving
maar deze factoren kunnen elkaar ook wederzijds beïnvloeden.
Belangrijk: een samenhang tussen een psychosociale factor en gezondheid bewijst niet automatisch een directe
causale relatie.
9. Stress
Stress is een interne of externe toestandsprikkeling die het organisme uit evenwicht brengt, waardoor
onmiddellijk een dynamisch lichamelijk aanpassingsproces op gang komt. Daarbij zijn onder andere bloeddruk,
hartslag en cortisol betrokken.
Stress is niet uitsluitend negatief:
kortdurende, overzichtelijke stress helpt het organisme om met een stressor om te gaan;
chronische stress is daarentegen ongezond.
10. Homeostase en allostatic load
Homeostase
Homeostase is het fysiologische proces waarbij het organisme het interne milieu in evenwicht houdt ondanks
veranderingen in de omgeving.
Allostatic load
Allostatic load is het langetermijneffect van de fysiologische reactie op stress: cumulatieve fysiologische
slijtage.
Bij de fysiologische stressrespons spelen onder andere drie processen:
1. Medische psychologie
Medische psychologie richt zich op de wisselwerking tussen lichamelijke ziekte, psychisch functioneren en
medische behandeling. Medisch psychologen hebben kennis over hoe het psychisch functioneren van een
patiënt de ziekte en behandeling beïnvloedt en over de communicatie hierover met zorgverleners. Ze
beschikken daarnaast over vaardigheden om dit te verbeteren. Ze kunnen onder andere werkzaam zijn in een
ziekenhuis, gespecialiseerd centrum of zelfstandige praktijk.
Medische psychologie is relevant omdat psychische problemen relatief vaak voorkomen bij chronische
lichamelijke ziekte:
ongeveer 30% ervaart psychische problemen bij het omgaan met een chronische ziekte;
ongeveer 10% ontvangt ergens gedurende het ziektetraject een psychosociale interventie.
Psychische problemen hebben niet alleen gevolgen voor de patiënt. Depressie bij chronische ziekte hangt
samen met meer zorggebruik en hogere zorgkosten, en met meer ziekteverzuim en productieverlies.
Psychologische zorg is daarbij vaak kosteneffectief.
Werkzaamheden van de medisch psycholoog
Een medisch psycholoog kan betrokken zijn bij:
patiëntenzorg;
multidisciplinair overleg (MDO);
communicatie tussen arts en patiënt;
onderwijs aan bijvoorbeeld artsen en verpleegkundigen;
wetenschappelijk onderzoek;
somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK);
kinder- en jeugdpsychologie in het ziekenhuis, bijvoorbeeld rondom zwangerschap, bevalling en de
eerste levensjaren.
Niet alle psychische problematiek bij iemand met een lichamelijke aandoening wordt automatisch binnen de
medische psychologie behandeld. Er moet worden gekeken welke zorgsetting het beste past. Bij de huisarts
kan bijvoorbeeld worden afgewogen tussen POH-GGZ en basis- of specialistische psychische zorg. Bij complexe
problematiek, zoals persoonlijkheidsproblematiek, kan specialistische GGZ passender zijn dan behandeling door
de medisch psycholoog.
2. Medisch-specialistische revalidatie
Het doel van medisch-specialistische revalidatie is om ervoor te zorgen dat een stoornis zo min mogelijk leidt
tot beperkingen in activiteiten en dat beperkingen in activiteiten zo min mogelijk leiden tot
participatieproblemen. De figuur op de slide maakt onderscheid tussen:
ziekte/aandoening → functies/anatomische eigenschappen ↔ activiteiten ↔ participatie
Daarnaast spelen externe factoren en persoonlijke factoren een rol. Het functioneren van iemand wordt dus
niet alleen bepaald door de lichamelijke aandoening zelf.
Uitgangspunten van revalidatiepsychologie
Belangrijke uitgangspunten zijn:
Functioneren ontstaat uit de interactie tussen persoon en omgeving. Belemmeringen in de omgeving
kunnen soms meer invloed hebben op het dagelijks functioneren dan de beperking zelf.
Mensen met een aandoening weten zelf hoe het is om ermee te leven en kunnen hun aandoening
vaak beter in perspectief plaatsen. Buitenstaanders kunnen ten onrechte denken dat een beperking
allesoverheersend en uitsluitend negatief is.
Leren omgaan met een beperking is een dynamisch en continu proces.
Klachten zoals pijn, vermoeidheid en stemming zijn niet simpelweg een directe weerspiegeling van
lichamelijke sensaties. Het zijn persoonlijke ervaringen en daardoor ook beïnvloedbaar door
interventies.
Mensen met een aandoening hebben, ongeacht de achtergrond of ernst daarvan, recht op respect,
aanmoediging en waardigheid.
3. Intake en diagnostische cyclus
,Voor een intake kan de medisch psycholoog verschillende informatiebronnen gebruiken:
vooroverleg met de verwijzer;
anamnese;
vragenlijsten;
heteroanamnese;
op indicatie psychologische tests;
op indicatie neuropsychologisch onderzoek;
informatie opvragen bij andere bronnen.
Psycho-educatie
Binnen medische psychologie bestaat psycho-educatie onder andere uit:
Empathisch exploreren van de belevingswereld van de patiënt en diens naasten en de knelpunten die
zij ervaren.
Educatie geven over reacties op de medische situatie, de stressoren die daaruit voortkomen en
veelvoorkomende aanpassingsreacties.
De daadwerkelijke aanpassingsreacties van patiënt en naasten onderzoeken en kijken waar
knelpunten ontstaan.
Adequate aanpassingsreacties positief bekrachtigen en onderzoeken hoe de veerkracht van patiënt en
naasten versterkt kan worden.
De focus ligt dus niet alleen op wat misgaat, maar ook op aanwezige adequate coping en veerkracht.
Behandeling
Binnen de medische psychologie kunnen verschillende behandelvormen worden gebruikt:
Cognitieve gedragstherapie (CGT);
Mindfulness-Based Cognitive Therapy;
Compassion-Focused Therapy;
Acceptance and Commitment Therapy (ACT);
EMDR;
Emotion-Focused Therapy (EFT);
Problem Solving Treatment (PST);
Interpersoonlijke psychotherapie (IPT);
Rouwtherapie;
Relatie- of partnergesprekken.
Er bestaat dus niet één standaardbehandeling voor medisch-psychologische problematiek; de interventie wordt
afgestemd op de problematiek en context.
4. Differentiaaldiagnostiek bij somatische ziekte
Bij de intake is differentiaaldiagnostiek belangrijk, omdat psychische en lichamelijke symptomen verschillende
oorzaken kunnen hebben. Symptomen kunnen samenhangen met biologische, psychologische én sociale
oorzaken en risicofactoren.
Een symptoom dat psychisch lijkt, kan bijvoorbeeld een somatische oorzaak hebben:
Karakterveranderingen, zoals afgevlakt of ongeremd gedrag → kunnen samenhangen met
hersenmetastasen.
Somberheid en prikkelbaarheid → kunnen een bijwerking zijn van medicatie, bijvoorbeeld
hormoontherapie.
Vermoeidheid en verminderde eetlust → kunnen psychisch van aard zijn, maar ook veroorzaakt
worden door een voortschrijdende lichamelijke ziekte.
Kern: bij een somatisch zieke patiënt moet je psychische symptomen niet automatisch psychologisch verklaren.
Je moet rekening houden met mogelijke somatische oorzaken, medicatie en psychosociale factoren.
5. Psychische reacties op ernstige ziekte
,De realiteit van ernstige ziekte en een mogelijke naderende dood kan zowel voor de patiënt als voor de
psycholoog confronterend zijn. Voor de psycholoog zijn daarom intervisie, supervisie en een eigen
steunsysteem belangrijk.
Daarnaast geldt:
gevoelens van machteloosheid kunnen passen bij de realiteit van ziekte en overlijden;
psychische klachten kunnen passend zijn binnen de situatie en zijn dus niet automatisch
psychopathologisch;
zingevingstherapie of ACT kunnen uitkomst bieden;
tegelijkertijd kunnen sommige klachten relatief gemakkelijk worden verholpen;
veel patiënten waren vóór hun ziekte goed functionerende volwassenen voor wie de ziekte uiteindelijk
te belastend werd.
6. Wat is gezondheid?
WHO-definitie (1948)
Gezondheid is een toestand van compleet lichamelijk, sociaal en mentaal welbevinden, en niet alleen de
afwezigheid van ziekte of gebreken.
Huber et al. (2011)
Gezondheid is het vermogen om je aan te passen en eigen regie te voeren in het licht van sociale, fysieke en
emotionele uitdagingen.
Het belangrijke verschil is dus:
WHO → gezondheid als toestand van compleet welbevinden.
Huber → gezondheid als vermogen tot aanpassing en eigen regie.
Bij de definitie van Huber kan iemand dus een lichamelijke aandoening hebben en toch in belangrijke mate
gezond functioneren.
7. Biomedisch versus biopsychosociaal model
Biomedisch model
Volgens het biomedische model kan ziekte volledig worden verklaard vanuit fysiologische processen.
Biopsychosociaal model
Het biopsychosociale model van George Engel (1977) betrekt de invloed van biologische, psychologische en
sociale factoren op gezondheid en ziekte.
Gezondheid is volgens deze benadering de uitkomst van een complexe combinatie van onder andere:
genetische processen + biomedische processen + psychologische processen + leefstijl + sociale context
+ politieke/economische context + milieu/klimaat.
Het biopsychosociale model is eigenlijk niet één vast model, maar kan worden beschouwd als een verzameling
modellen met verschillende oorzaken en risicofactoren voor specifieke aandoeningen of fasen daarvan. Het kan
zowel op individueel niveau als op groepsniveau, bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek, worden
gebruikt.
Verschillen tussen de modellen
, 8. Circulaire causaliteit
Voor de invloed van zowel biologische als psychosociale processen op gezondheid bestaat evidentie. Bij
genetische en biomedische processen zijn oorzaak-gevolgrelaties vaak duidelijker. Bij psychologische en sociale
processen is causaliteit vaak moeilijker vast te stellen, onder andere doordat veel onderzoek correlationeel is.
Daarbij kunnen verschillende verklaringen spelen:
Circulaire causaliteit: A beïnvloedt B, maar B beïnvloedt vervolgens ook weer A.
Gedeelde etiologie: twee verschijnselen hangen samen doordat ze (deels) dezelfde onderliggende
oorzaak hebben.
Risicofactor: een factor hangt samen met een grotere kans op een uitkomst, maar dat betekent niet
automatisch dat de factor rechtstreeks de oorzaak is.
Voorbeeld: sociale steun en kanker
Mensen met veel sociale steun overleven gemiddeld langer na een diagnose kanker. Toch is er geen bewijs dat
een interventie die sociale steun verhoogt vervolgens leidt tot langere overleving. De figuur op de slide spreekt
daarom van een 'web van wederzijdse connecties'. Sociale steun kan bijvoorbeeld samenhangen met:
minder stress → betere zelfzorg → betere therapietrouw → minder complicaties → overleving
maar deze factoren kunnen elkaar ook wederzijds beïnvloeden.
Belangrijk: een samenhang tussen een psychosociale factor en gezondheid bewijst niet automatisch een directe
causale relatie.
9. Stress
Stress is een interne of externe toestandsprikkeling die het organisme uit evenwicht brengt, waardoor
onmiddellijk een dynamisch lichamelijk aanpassingsproces op gang komt. Daarbij zijn onder andere bloeddruk,
hartslag en cortisol betrokken.
Stress is niet uitsluitend negatief:
kortdurende, overzichtelijke stress helpt het organisme om met een stressor om te gaan;
chronische stress is daarentegen ongezond.
10. Homeostase en allostatic load
Homeostase
Homeostase is het fysiologische proces waarbij het organisme het interne milieu in evenwicht houdt ondanks
veranderingen in de omgeving.
Allostatic load
Allostatic load is het langetermijneffect van de fysiologische reactie op stress: cumulatieve fysiologische
slijtage.
Bij de fysiologische stressrespons spelen onder andere drie processen: