Oefententamen Methoden van Onderzoek
Oct 9, 2026 · @Janne Westra
Tentamenopzet
Dit oefententamen telt 50 punten en toetst week 1 t/m 6 in de opbouw van een tentamen
aan de Radboud: meerkeuze, casusvragen en open vragen.
Onderdeel Stof Vragen Punten
A Week 1 t/m 3 12 meerkeuzevragen 12
B Week 4 t/m 6 10 meerkeuzevragen 10
C Twee casussen 10 meerkeuzevragen 10
D Open vragen 4 vragen 18
Totaal 36 vragen 50
Richttijd: 90 minuten, zonder samenvatting of andere hulpmiddelen. Maak het
tentamen eerst helemaal en kijk daarna pas naar de antwoordsleutel.
Meerkeuzevragen hebben vier opties, precies één antwoord is juist, 1 punt per vraag.
Cijfer: (behaalde punten / 50) × 9 + 1. Bij 25 punten heb je een 5,5.
Dit is een eigen indeling op basis van gangbare tentamens. De echte puntentelling, een
eventuele gokcorrectie en de cesuur staan in de tentamenregels van jouw cursus en
kunnen afwijken.
Deel A: Meerkeuzevragen week 1 t/m 3 (12 punten)
Kies bij elke vraag het beste antwoord.
A1. Welk kenmerk van de wetenschappelijke methode houdt in dat een voorspelling zo
wordt geformuleerd dat zij ook onjuist kan blijken te zijn?
a. Empirisme
b. Rationalisme
c. Openheid
d. Falsificeerbaarheid
A2. Een onderzoeker meet extraversie door te tellen hoe vaak iemand een gesprek begint
met een vreemdeling. Wat is dit?
Page 1 of 13
, Oefententamen Methoden van Onderzoek
a. Een hypothese
b. Een intermediërende variabele
c. Een operationele definitie
d. Een storende variabele
A3. Een onderzoeker meet op één moment het aantal uren gamen en het gemiddelde
schoolcijfer van 200 kinderen en vindt een negatieve correlatie (r = −.40). Welke van de
drie eisen voor causaliteit is hiermee aangetoond?
a. Alleen covariantie
b. Covariantie en temporal precedence
c. Covariantie en het uitsluiten van alternatieve verklaringen
d. Alle drie de eisen
A4. Aan welke eisen moet een between-subjects onderzoek voldoen om een zuiver
experiment te zijn?
a. Manipulatie, een voor- en nameting en een controlegroep
b. Manipulatie, randomisatie van groepen en controle van alle potentieel storende
variabelen
c. Meting van de onafhankelijke variabele, randomisatie van groepen en een
voormeting
d. Manipulatie, een treatmentgroep en een controlegroep, maar zonder randomisatie
A5. Studenten die meer slapen (X) halen betere tentamencijfers (Y). Een onderzoeker
veronderstelt dat meer slaap leidt tot betere concentratie (Z), en dat betere concentratie
leidt tot hogere cijfers. Wat is concentratie in dit model?
a. Een storende variabele
b. Een intermediërende variabele
c. De afhankelijke variabele
d. Een constante
A6. In een within-subjects onderzoek werkt het effect van conditie A nog door tijdens
conditie B, maar conditie B beïnvloedt conditie A niet. Hoe heet dit effect?
a. Vermoeidheid
b. Autonome rijping
c. Differentiële transfer
d. Instrumentatieverval
Page 2 of 13