Werkgroep 1
Deel 1 - Meerkeuzevragen
Vraag 1.
Welke stelling met betrekking tot het Nederlandse materiële strafrecht is niet juist?
a. Volgens de ultimum remedium-gedachte dient het strafrecht met terughoudendheid
te worden toegepast.
b. Het primaat voor strafbaarstelling ligt bij de nationale wetgever, diens bevoegdheid
tot strafbaarstelling kan niet worden beperkt door Unierecht.
c. Als rechtvaardiging voor straffen is de verenigingstheorie leidend in onze
strafrechtscultuur.
d. De wetgever heeft de invulling van veel leerstukken van materieel strafrecht
overgelaten aan de rechtspraktijk.
Antwoord: B - Unierecht kan de nationale strafwetgever wel begrenzen. De nationale
wetgever heeft de primaat, maar is niet onbeperkt vrij met zijn primaat. Het EU- recht kan
grenzen stellen aan nationale strafwetgeving en kan nationale regels beïnvloeden. Daarom
is antwoord B fout omdat het wel beperkt kan worden door het Unierecht.
A. Fout - Strafrecht is een zwaar rechtsmiddel en daarom moet het niet zonder
noodzaak worden ingezet.
C. Fout - Straffen kunnen niet alleen vanuit één doel worden verklaard. De
verenigingstheorie combineert bijv vergelding en preventie en past bij onze strafrecht
cultuur.
D. Fout - Veel leerstukken zijn niet volledig in de wet uitgewerkt. De rechtspraak in de
rechtspraktijk heeft veel invulling gegeven aan leerstukken.
Begrippen in de vraag: materieel strafrecht (regels over welke gedragingen strafbaar zijn
en wanneer iemand strafrechtelijk aansprakelijk is); ultimum remedium (strafrecht als
laatste/redelijk zwaar middel, dus terughoudend inzetten); primaat (de voornaamste of
eerste verantwoordelijkheid); Unierecht (recht van de Europese Unie); verenigingstheorie
(combinatie van verschillende strafdoelen, zoals vergelding en preventie)
Vraag 2.
Welke stelling over artikel 309 Sr in samenhang met artikel 308 lid 1 Sr is juist?
a. Artikel 309 Sr betreft een gekwalificeerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten formeel omschreven zijn.
b. Artikel 309 Sr betreft een geprivilegieerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten materieel omschreven zijn.
c. Artikel 309 Sr betreft een geprivilegieerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten formeel omschreven zijn.
d. Artikel 309 Sr betreft een gekwalificeerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten materieel omschreven zijn.
Antwoord: D - Art. 209 Sr is een zwaardere variant en het gaat om materieel geschreven
delicten. Art. 308 lid 1 vereist een gevolg namelijk zwaar lichamelijk letsel of zodanig
lichamelijk letsel (...) en art. 309 maakt het basisdelict zwaarder door een verzwarende straf
toe te voegen wanneer het feit in een ambt of beroep wordt gepleegd. Daarom antwoord d.
A. Fout - Het eerste deel klopt: art. 309 Sr verzwaart de situatie wanneer het misdrijf in
de uitoefening van een ambt of beroep wordt gepleegd, maar art. 308 lid 1 Sr is een
1
, materieel omschreven delict, omdat zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk
letsel (...) moet zijn ingetreden.
B. Fout - Art. 309 Sr is niet geprivilegieerd. Het maakt de bestraffing juist zwaarder,
onder meer doordat de gevangenisstraf kan worden verhoogd.
C. Fout - Art. 309 Sr is geen geprivilegieerde maar een gekwalificeerd delict en art. 308
is niet formeel maar materieel omschreven.
Begrippen in de vraag: gekwalificeerd delict (een zwaardere variant van een basisdelict
door een extra omstandigheid); geprivilegieerd delict (een lichtere variant van een
basisdelict); formeel delict (de wet stelt vooral de gedraging strafbaar; een bepaald gevolg
hoeft niet te zijn ingetreden); materieel delict (het strafbare gevolg staat centraal en moet zijn
ingetreden)
Vraag 3.
Welke stelling met betrekking tot het legaliteitsbeginsel is niet juist?
a. De eisen die het EHRM in Legaliteit in Straatsburg (EHRM 22 november 1995, NJ
1997/1) formuleert over voorzienbaarheid en rechtszekerheid zijn zowel van
toepassing op geschreven strafbepalingen als op jurisprudentie.
b. Het legaliteitsbeginsel staat er niet aan in de weg dat veranderde maatschappelijke
opvattingen een rol kunnen spelen bij de interpretatie van strafbepalingen.
c. Het legaliteitsbeginsel heeft tot gevolg dat de wetgever altijd nauwkeurig
omschreven strafbepalingen uitvaardigt die voor de burger goed te begrijpen zijn en
voor de rechter eenvoudig zijn toe passen.
d. Wanneer de eisen van voorzienbaarheid in acht worden genomen kan ook een
extensieve interpretatie van de delictsomschrijving in overeenstemming zijn met het
legaliteitsbeginsel.
Antwoord: C - Het legaliteitsbeginsel vereist niet dat alle strafbepalingen altijd volledig
nauwkeurig omschreven zijn. De wetgever moet voldoende voorzienbaarheid geven, maar
strafbepalingen kunnen open begrippen bevatten of sommige bepalingen blijven bewust
open en soms heeft het uitleg van de rechter nodig.
A. Fout - Jurisprudentie kan ook invloed hebben op wat strafbaar is. Daarom zijn de
eisen ook van toepassing op de wettekst en rechtspraak.
B. Fout - Het legaliteitsbeginsel staat niet in de weg zolang de interpretatie voorzienbaar
blijft.
D. Fout - Extensieve interpretatie kan in overeenstemming zijn van het legaliteitsbeginsel als
de voorzienbaarheid niet wordt geschonden. (De burger kon redelijkerwijs begrijpen dat het
gedrag onder de strafbepaling valt.)
Begrippen in de vraag: legaliteitsbeginsel (geen straf zonder vooraf bestaande wettelijke
strafbaarstelling; de regel moet voldoende kenbaar en voorzienbaar zijn); EHRM (Europees
Hof voor de Rechten van de Mens); jurisprudentie (rechterlijke uitspraken die het recht
uitleggen en ontwikkelen); extensieve interpretatie (een ruime uitleg van de woorden van de
wet, binnen de grenzen van het legaliteitsbeginsel); voorzienbaarheid (de burger moet in
redelijke mate kunnen voorzien welk gedrag strafbaar is)
Vraag 4.
Welke interpretatiemethode wordt niet gebruikt in de volgende (fictieve)
rechtsoverweging?
‘Bij de uitleg van de reikwijdte van het delict diefstal (artikel 310 Sr) komt betekenis
toe aan het beschermde belang van de strafbepaling. Het doel van de strafbepaling is
herleidbaar uit de stukken aangaande de totstandkoming van het wetboek. Het artikel
beoogt de bescherming van het vermogen, in het bijzonder de eigendom en het bezit
van roerende zaken. Een impliciete aanwijzing voor deze notie is tevens af te leiden
2
Deel 1 - Meerkeuzevragen
Vraag 1.
Welke stelling met betrekking tot het Nederlandse materiële strafrecht is niet juist?
a. Volgens de ultimum remedium-gedachte dient het strafrecht met terughoudendheid
te worden toegepast.
b. Het primaat voor strafbaarstelling ligt bij de nationale wetgever, diens bevoegdheid
tot strafbaarstelling kan niet worden beperkt door Unierecht.
c. Als rechtvaardiging voor straffen is de verenigingstheorie leidend in onze
strafrechtscultuur.
d. De wetgever heeft de invulling van veel leerstukken van materieel strafrecht
overgelaten aan de rechtspraktijk.
Antwoord: B - Unierecht kan de nationale strafwetgever wel begrenzen. De nationale
wetgever heeft de primaat, maar is niet onbeperkt vrij met zijn primaat. Het EU- recht kan
grenzen stellen aan nationale strafwetgeving en kan nationale regels beïnvloeden. Daarom
is antwoord B fout omdat het wel beperkt kan worden door het Unierecht.
A. Fout - Strafrecht is een zwaar rechtsmiddel en daarom moet het niet zonder
noodzaak worden ingezet.
C. Fout - Straffen kunnen niet alleen vanuit één doel worden verklaard. De
verenigingstheorie combineert bijv vergelding en preventie en past bij onze strafrecht
cultuur.
D. Fout - Veel leerstukken zijn niet volledig in de wet uitgewerkt. De rechtspraak in de
rechtspraktijk heeft veel invulling gegeven aan leerstukken.
Begrippen in de vraag: materieel strafrecht (regels over welke gedragingen strafbaar zijn
en wanneer iemand strafrechtelijk aansprakelijk is); ultimum remedium (strafrecht als
laatste/redelijk zwaar middel, dus terughoudend inzetten); primaat (de voornaamste of
eerste verantwoordelijkheid); Unierecht (recht van de Europese Unie); verenigingstheorie
(combinatie van verschillende strafdoelen, zoals vergelding en preventie)
Vraag 2.
Welke stelling over artikel 309 Sr in samenhang met artikel 308 lid 1 Sr is juist?
a. Artikel 309 Sr betreft een gekwalificeerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten formeel omschreven zijn.
b. Artikel 309 Sr betreft een geprivilegieerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten materieel omschreven zijn.
c. Artikel 309 Sr betreft een geprivilegieerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten formeel omschreven zijn.
d. Artikel 309 Sr betreft een gekwalificeerd delict ten opzichte van artikel 308 lid 1 Sr,
waarbij beide delicten materieel omschreven zijn.
Antwoord: D - Art. 209 Sr is een zwaardere variant en het gaat om materieel geschreven
delicten. Art. 308 lid 1 vereist een gevolg namelijk zwaar lichamelijk letsel of zodanig
lichamelijk letsel (...) en art. 309 maakt het basisdelict zwaarder door een verzwarende straf
toe te voegen wanneer het feit in een ambt of beroep wordt gepleegd. Daarom antwoord d.
A. Fout - Het eerste deel klopt: art. 309 Sr verzwaart de situatie wanneer het misdrijf in
de uitoefening van een ambt of beroep wordt gepleegd, maar art. 308 lid 1 Sr is een
1
, materieel omschreven delict, omdat zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk
letsel (...) moet zijn ingetreden.
B. Fout - Art. 309 Sr is niet geprivilegieerd. Het maakt de bestraffing juist zwaarder,
onder meer doordat de gevangenisstraf kan worden verhoogd.
C. Fout - Art. 309 Sr is geen geprivilegieerde maar een gekwalificeerd delict en art. 308
is niet formeel maar materieel omschreven.
Begrippen in de vraag: gekwalificeerd delict (een zwaardere variant van een basisdelict
door een extra omstandigheid); geprivilegieerd delict (een lichtere variant van een
basisdelict); formeel delict (de wet stelt vooral de gedraging strafbaar; een bepaald gevolg
hoeft niet te zijn ingetreden); materieel delict (het strafbare gevolg staat centraal en moet zijn
ingetreden)
Vraag 3.
Welke stelling met betrekking tot het legaliteitsbeginsel is niet juist?
a. De eisen die het EHRM in Legaliteit in Straatsburg (EHRM 22 november 1995, NJ
1997/1) formuleert over voorzienbaarheid en rechtszekerheid zijn zowel van
toepassing op geschreven strafbepalingen als op jurisprudentie.
b. Het legaliteitsbeginsel staat er niet aan in de weg dat veranderde maatschappelijke
opvattingen een rol kunnen spelen bij de interpretatie van strafbepalingen.
c. Het legaliteitsbeginsel heeft tot gevolg dat de wetgever altijd nauwkeurig
omschreven strafbepalingen uitvaardigt die voor de burger goed te begrijpen zijn en
voor de rechter eenvoudig zijn toe passen.
d. Wanneer de eisen van voorzienbaarheid in acht worden genomen kan ook een
extensieve interpretatie van de delictsomschrijving in overeenstemming zijn met het
legaliteitsbeginsel.
Antwoord: C - Het legaliteitsbeginsel vereist niet dat alle strafbepalingen altijd volledig
nauwkeurig omschreven zijn. De wetgever moet voldoende voorzienbaarheid geven, maar
strafbepalingen kunnen open begrippen bevatten of sommige bepalingen blijven bewust
open en soms heeft het uitleg van de rechter nodig.
A. Fout - Jurisprudentie kan ook invloed hebben op wat strafbaar is. Daarom zijn de
eisen ook van toepassing op de wettekst en rechtspraak.
B. Fout - Het legaliteitsbeginsel staat niet in de weg zolang de interpretatie voorzienbaar
blijft.
D. Fout - Extensieve interpretatie kan in overeenstemming zijn van het legaliteitsbeginsel als
de voorzienbaarheid niet wordt geschonden. (De burger kon redelijkerwijs begrijpen dat het
gedrag onder de strafbepaling valt.)
Begrippen in de vraag: legaliteitsbeginsel (geen straf zonder vooraf bestaande wettelijke
strafbaarstelling; de regel moet voldoende kenbaar en voorzienbaar zijn); EHRM (Europees
Hof voor de Rechten van de Mens); jurisprudentie (rechterlijke uitspraken die het recht
uitleggen en ontwikkelen); extensieve interpretatie (een ruime uitleg van de woorden van de
wet, binnen de grenzen van het legaliteitsbeginsel); voorzienbaarheid (de burger moet in
redelijke mate kunnen voorzien welk gedrag strafbaar is)
Vraag 4.
Welke interpretatiemethode wordt niet gebruikt in de volgende (fictieve)
rechtsoverweging?
‘Bij de uitleg van de reikwijdte van het delict diefstal (artikel 310 Sr) komt betekenis
toe aan het beschermde belang van de strafbepaling. Het doel van de strafbepaling is
herleidbaar uit de stukken aangaande de totstandkoming van het wetboek. Het artikel
beoogt de bescherming van het vermogen, in het bijzonder de eigendom en het bezit
van roerende zaken. Een impliciete aanwijzing voor deze notie is tevens af te leiden
2