Je kunt uitleggen hoe erfelijke ziektes volgend de regels van Mendel
overerven en wanneer dit juist ingewikkelder verloopt.
Je kunt beschrijven hoe biologische processen en toevalsfactoren invloed
hebben op hoe een ziekte overerft en hoe ernstig iemand ziek wordt(DNA
slippage, modifier genes, stichterseffect).
Je kunt een stamboom gebruiken om bij een patiënt het risico op een
erfelijke aandoening in te schatten en passend advies of onderzoek te
kiezen.
Meiose
Tijdens metafase I van de meiose liggen de homologe chromosomenparen — elk
bestaande uit een maternale en een paternale versie — naast elkaar op de
metafaseplaat. De manier waarop deze paren georiënteerd zijn, is volledig
willekeurig: voor elk paar is er een gelijke kans dat het maternale chromosoom
naar de ene pool wordt gericht en het paternale naar de andere, of andersom.
Omdat elk chromosomenpaar onafhankelijk van de andere paren zijn oriëntatie
bepaalt, worden de maternale en paternale chromosomen op een onafhankelijke
manier verdeeld over de dochtercellen. Dit proces, bekend als independent
assortment, zorgt ervoor dat elke dochtercel een unieke combinatie van
maternale en paternale chromosomen krijgt. Bij een organisme met twee
homologe paren zijn er daardoor vier mogelijke combinaties, en bij drie paren
acht. In het algemeen geldt dat het aantal mogelijke combinaties dat door deze
onafhankelijke assortering kan ontstaan gelijk is aan 2ⁿ, waarbij n het haploïde
aantal chromosomen is. Hierdoor draagt meiose op een krachtige manier bij aan
genetische variatie binnen een populatie.
Crossing-over
Tijdens de meiose ontstaan genetisch verschillende gameten niet alleen door de
onafhankelijke assortering van chromosomen, maar ook doordat crossing-over
plaatsvindt. Hoewel onafhankelijke assortering ervoor zorgt dat elk chromosoom
in een gameet ogenschijnlijk volledig maternale of paternale oorsprong heeft, is
dat in werkelijkheid niet zo. Tijdens profase I wisselen homologe chromosomen
namelijk stukjes DNA uit. Hierdoor ontstaan recombinante chromosomen,
waarin genetisch materiaal van beide ouders gecombineerd voorkomt binnen één
enkel chromosoom. Bij de mens gebeurt dit gemiddeld één tot drie keer per