a. Het onderscheid tussen voorkeursrecht en regelend recht
b. Het onderscheid tussen materieel recht en strafrecht
c. Het onderscheid tussen absoluut recht en relatief recht
2. Welke van de volgende personen zijn handelingsonbekwaam. Let op er zijn
twee antwoorden juist
- Een persoon die wegens een geestelijke stoornis onder curatele staat.
- Een persoon die failliet verklaard is.
- Een kind met voogd dat 18 jaar wordt.
- Een zeventienjarige die ongehuwd is en niet gehuwd is geweest.
a. Een persoon die wegens een geestelijke stoornis onder curatele staat.
b. Een kind met voogd dat 18 jaar wordt.
c. Een zeventienjarige die ongehuwd is en niet gehuwd is geweest.
d. Een persoon die failliet verklaard is
3. Welke regels staan er voornamelijk in het Burgerlijk Wetboek?
a. Regels voor procesrecht
b. Regels voor materieel recht
c. Regels voor formeel recht
In het Burgerlijk Wetboek staan voornamelijk regels voor
materieel recht. Materieel recht verwijst naar de rechtsregels
die voorschrijven hoe mensen zich in het maatschappelijk
verkeer tegenover elkaar behoren te gedragen.
Het materieel recht staat tegenover het formeel recht, ofwel
procesrecht.
4. A en B zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben samen het
gezag over hun zoon.
Op welke wijze kan het geregistreerd partnerschap tussen A en B eindigen?
Let op! Meerdere antwoorden kunnen juist zijn.
a. Door omzetting van geregistreerd partnerschap in een huwelijk
b. Door middel van wederzijds goedvinden van beide partijen zonder
tussenkomst van de rechter
c. Door middel van scheiding van tafel en bed
d. Door middel van ontbinding met tussenkomst van de rechter
5. Een man hoort na het overlijden van zijn tante dat zij aan hem een
bedrijfspand heeft gelegateerd. Op welke wijze verkrijgt de man de
eigendom van dit pand?
a. Door middel van het afleggen van een verklaring van aanvaarding van dit
legaat
b. Door middel van het inschrijven van de betreffende notariële akte in de
daartoe bestemde openbare registers.
c. Door middel van het inschrijven van de verklaring van erfrecht bij het
kadaster.
, 6. Een echtpaar is in beperkte gemeenschap van goederen gehuwd en heeft
samen één kind. Wat gebeurt er als de man overlijdt, zonder bij testament
over zijn nalatenschap te hebben beschikt?
a. De vrouw verkrijgt alles, want zij waren in gemeenschap van goederen
gehuwd.
b. Het kind verkrijgt de helft van de gemeenschap van goederen, de vrouw de
andere helft.
c. De vrouw verkrijgt alles, maar het kind verkrijgt een vordering op haar ter
grootte van zijn erfdeel.
7. Wat zijn principes die voortvloeien uit rechtsregels over het verkrijgen van
goederen?
Let op! Meerdere antwoorden kunnen juist zijn.
a. Verkrijging onder algemene titel houdt in dat de verkrijger de rechtsvoorganger
opvolgt in het hele vermogen of een evenredig deel.
b. De wet kent een gesloten systeem voor de verkrijging van goederen.
c. De wijze van verkrijging onder bijzondere titel moet expliciet in de wet zijn
genoemd.
d. Bij wijze van overeenkomst kunnen partijen buiten de wet om een eigen
gewenste vorm van verkrijging in het leven roepen.
8. Wanneer gaat bij een koopovereenkomst het risico over op de koper?
a. Bij aflevering alleen als de eigendom daarbij wordt overgedragen
b. Bij aflevering ongeacht of de eigendom is overgedragen
c. Na voldoening van de koopprijs
Artikel 7:10 BW
9. Wanneer kan een hypotheekhouder, in geval van faillissement van de
debiteur, van zijn executierecht gebruik maken?
a. Uitsluitend met toestemming van de curator en de rechter-commissaris
b. Uitsluitend met toestemming van de curator
c. Op dezelfde manier als wanneer er geen faillissement is
Artikel 3:268 BW
10. Een weduwnaar heeft geen kinderen. Hij wil in zijn testament een stichting
tot zijn enig erfgenaam benoemen. De weduwnaar wil het vruchtgebruik van
zijn onroerendgoedportefeuille legateren aan zijn neef en, na diens
overlijden, aan diens eventuele nakomelingen.
Is de vestiging van dit recht van vruchtgebruik mogelijk?
a. Nee, de vestiging van vruchtgebruik is in dit geval niet mogelijk.
b. Ja, de vestiging van vruchtgebruik is mogelijk voor een periode van 30 jaar.
c. Ja, de vestiging van vruchtgebruik is mogelijk als de neef bij het overlijden van
de weduwnaar één of meer nakomelingen heeft.
Artikel 3:203 BW
11. Van welke werking is sprake als redelijkheid en billijkheid verbintenissen in
het leven roept, doordat partijen bepaalde kwesties niet hebben geregeld?
a. Van dominante werking
b. Van beperkende werking